|
Vanuit Lbasa vertrok Huub van Hedel richting
Kathmandu.Op de fiets.
Huub: 'Het was geweldig, avontuurlijk en zwaar. En
omdat ik een visum voor een maand had, behoorde een extra uitstapje tot de
mogelijkheden.'
5 oktober.
Twaalf kilometer na het Chinese checkpoint
Shegar, vind ik de afslag Mount Everest. Enkele kilometers verder, in het
dorpje Chau, is weer een checkpoint. Voor de tweede keer ontmoet ik een
groep Amerikanen en Britten. Ze zijn bezig met dezelfde tocht maar doen een
(klein) deel per fiets en een (groot) deel per truck. De eerste keer kreeg
ik van hen, buiten het zicht van bedelende kinderen, wat energierepen en een
appel toegestopt. Na Chau begint de zware klim van Pang La (5120 m),
een uiterst slechte weg met zand, gruis, keien en hellingspercentages van
meer dan 15%. En een fenomenaal panorama vanaf de top: Makalu (8481 m),
Lhotse (8511 m), Qoinolangma Feng (alias Mount Everest, 8846
m) en Cho Oyu (8201 m). Kwartet.
De weg naar beneden is nog slechter dan die omhoog. Met 58 kilometer op de
teller zie ik in Passum voor het eerst sinds tijden een Engelstalig
uithangbord: Teahouse. Het is dicht. Zeer snel verzamelt een meute
ongewassen kindertjes zich om mij heen. Als ik met mijn vuile handen en
voeten uitleg dat ik hier wil overnachten, holt er eentje weg om een uur
later met een sleutel terug te komen. De jeugdige eigenaar opent de deur,
zet mijn fiets binnen en gaat voor me koken. Na de maaltijd krijg ik een
kaars en de sleutel in handen gedrukt. Ik zal de nacht alleen in het
teahouse doorbrengen.
6 oktober.
Iets buiten het dorp zie ik nog net hoe het
tentenkamp van de truckende bikers wordt afgebroken. Langzaam maar zeker
haal ik enkele fietsers in. Ik ben jaloers omdat zij zonder bepakking
fietsen en tegelijk trots op mijn manier van reizen. Wat niet wegneemt dat
ik geniet van de aangeboden lunch, wat een luxe! En vanavond mag ik weer
meeëten mits ik het Mount Everest Basecamp haal. Ik fiets door naar het
Rongbuk klooster. Na de bezichtiging van dit hooggelegen klooster is het nog
maar enkele kilometers fietsen, over een rotspad, naar het Basecamp. Daar op
de fiets aankomen, bekaf, voelt geweldig. Ik zet mijn tentje op en schuif
aan voor de maaltijd.
7 oktober.
Tent en fiets zijn wit van de vorst. Drinkwater
en waterzuiveraar, beide bewaard in de tent. zijn bevroren. Ik doe rustig
aan, wandel rond, geniet van het enorme uitzicht. 8 oktober. Over bekend
terrein terug naar Rongbuk, dan nog een paar kilometers
en... als ik de de afslag naar Old Tingri niet vind, moet ik helemaal over
de heenweg terug. Gelukkig hebben de truckende bikers al aan hun chauffeur
gevraagd waar de afslag is, want bij een onduidelijke splitsing is een grote
pijl van stenen gemaakt. Er ligt een briefje bij: 'Hubert, Tingri is this
way! Your friends.'
Wat volgt is een kniediepe rivier, een dorp rijk aan honden en een redelijk
begaanbaar pad dat smaller en smaller wordt. En dan is het weg. Fietsen gaat
niet meer. Volgens de kaart loopt er ergens in het westen nog een pad naar
Tingri. Dus duwen en trekken maar, op het kompas, in westelijke richting.
Niemand meer in de buurt, geen pad, zelfs geen yak-sporen. Na enkele uren
begint de twijfel te knagen. Ik spreek met mezelf af nog tot 19.00 uur door
te duwen. Als ik het pad dan nog niet gevonden heb, keer ik om. Een
vertraging van een dag of zes die ik dan verkies boven verdwalen in de
hooglanden van Tibet. Om 18.30 uur zie ik beneden in een dal een klein
tentenkampje, naast een riviertje en een... is dat een pad? Ik spring op de
fiets en hotsknots overmoedig omlaag. In het dal tref ik drie Amerikaanse
jongedames aan die met een gids en twee yaks op weg zijn naar de Everest.
'We come from Old Tingri.' Ik zit goed! Ik zet mijn tentje op, kook een
prutje, babbel stoer met de Amerikaanse dames en val, na 26 kilometer
fietsen en 12 kilometer duwen, in diepe slaap. <
Op Pad #6 augustus
1999

|