Peter van de Beek - Reisverslag
Reisverslag nr 1
Kaapstad
Vanuit een zonnig en
fris-warm Kaapstad (22 graden) stuur ik hierbij het eerste verslag van
mijn fietsreis door Donker Afrika. Ik zal proberen om het bondig te
houden, en niet m'n hele reisdagboek (152 pagina's) door de telefoonlijn
pompen.
't Betekent natuurlijk wel dat dit slechts een ruwe schets is, een
vluchtige opsomming. Bepaalde mensen, kilometers asfalt en voorvallen
zullen helaas niet aan bod komen. Mijn excuses daarvoor :-)
Wat vooraf ging
---------------
Eind februari ben ik naar Johannesburg (Zuid-Afrika) gevlogen, met
fiets, tent, muskietennet en genoeg reservemateriaal om 6-12 maanden te
kunnen overleven
in sub-Sahara-Afrika. Het plan is om in ongeveer 7 maanden van Kaapstad
naar Nairobi te fietsen, solo, maar in Malawi waarschijnlijk begeleid
door een fietsvriendin.
Verloopt dat allemaal zonder zware ziektes en bijtende beesten, dan
fiets ik nog een paar
maanden door via Ethiopie, Sudan en Egypte. NB:
het eerste traject (Johannesburg - Kaapstad) leg ik in omgekeerde
richting af i.v.m. het weer in Lesotho.
-------------------------------------
Johannesburg, Vereeniging, Kroonstad, Clocolan,
Ficksburg, Fouriesburg, Golden Gate NP, Drakensberg.
-------------------------------------
De eerste 3 weken laten zich in 3 woorden samenvatten:
warm, Afrikaans en wandelen. Zeker in het begin, als ik door het
uitgestrekte landbouwgebied van de oostelijke Vrijstaat trek, is het
soms erg heet, 34 graden of meer, en schijnt de zon furieus. Uit mijn
dagboek: "Luchtspiegelingen op de weg, tegenliggers lijken uit de verte
aan te komen drijven op grote plassen water. Af en toe piept er een
vogeltje, alsof een remblokje aanloopt. Meer gebeurt er niet.
Een zwart, vrijwel recht asfaltlint voor me, slome
heuvels, een tractor naast een silo, velden met gras, graan of
zonnebloemen, hier en daar een plukje bomen.
Verder veeeel niets. Geen schaduw, geen dorpen, geen wegwijzers, geen
mensen langs de weg. De afstanden zijn groot, met enige pech rijd je 75
km zonder een winkel ("contantwinkel") tegen te komen, een cafe
("kroeg") of een benzinepomp ("stasie").
In de oostelijke Vrijstaat en langs de
noordgrens met Lesotho woont een blanke minderheid met nog steeds
aanzienlijke economische en sociale invloed, vaak van NL afkomst.
De dorpen bestaan gewoonlijk uit een blanke kern met een
Nederduits-Gereformeerde kerk, keurige burgers en schone straten met
ruime, goed onderhouden huizen.
Ver weg van die kern, een klein half uur lopen, ligt een modderig
townshipje voor de zwarte en gekleurde landarbeiders, met stenen
luciferdoosje-huisjes, 1 woonlaag, ca 25 m2 voor een heel gezin, of
zelfgefabriceerde krotten van afvalhout en golfplaat.
Perfecte segregatie, zodat beide bevolkings- groepen elkaars woongenot
zo min mogelijk verstoren.
De voertaal in dit gebied (ook voor
niet-blanken) is Afrikaans, een soort ouderwets Nederlands, gezout met
Frans, Duits en Engels, en gepeperd met uitdrukkingen uit slaventalen.
Moeilijk is Afrikaans niet, althans voor een Nederlander, binnen een
paar dagen lees je "Die Burger". En ik lees die krant graag, want het
prikkelt de verwondering.
Afrikaners vertalen bijv. consequent elk vreemd woord, wat leidt tot
constructies als "rekenaar" (PC), "zachte ware" (software), "e-pos"
(e-mail) en "gemorspos" (spam).
Verder hebben ze charmante en fantasierijke
uitdrukkingen voor bijv. sterven ("daai Groot Rivier
oversteken") en even uitpuffen ("een blaaskans
nemen").
|
Het is,
kortom, niet ingewikkeld om met de locals te communiceren, blank,
coloured of zwart. Veel
kleurlingen en zwarten zijn heel vriendelijk en
behulpzaam, maar tegelijk ook vaak timide en
onderdanig, gewend als ze kennelijk zijn aan blanke bazigheid. De
Afrikaner boeren - blank, snor of baard, korte broek, afgezakte kousen,
bierbuik - maken juist een zelfverzekerde, stoere indruk.
Een beetje cowboy-achtig, al rijden ze steevast in een "bakkie", een
Toyota pick-up.
Veel van de
vlezige koppen zouden zo uit Nederland of Duitsland kunnen komen, en als
je
naar hun familienaam vraagt, hoor je vaak iets als Van Schalkwijk,
Lindenberg, Van der Merwe, De Jager en De Klerk. Ik kan goed met ze
opschieten, 's avonds in de kroeg drink ik graag een biertje met ze,
maar ik erger me zodra ze over zwarten beginnen. Zelden klinkt er
een woord van respect of begrip. Het is
altijd "Be careful!" en "Watch your back!", want die "kaffers" c.q. "dogs"
mogen dan wel aardig doen, maar eigenlijk zijn het allemaal rovers en
moordenaars. "They will mug you! Don't trust them!"
Via het Golden Gate NP, een prachtig
nationaal park met lage, afgeronde, door wind en water uitgeslepen
bergen van oranje zandsteen (sommige zijn er uit als groteske
champignons), bereik ik op dag 10 de Drakensbergen. Een, zo mogelijk,
nog mooiere keten van steile, scherpgetande bergen uit harde,
blauw-bruine steen, tot zo'n 3700 meter hoog. In dit gebied maak ik, met
groepjes andere toeristen, een paar wandelingen van 4-7 uur, hoewel ik
eigenlijk niet van lopen houd en opzie tegen het geklauter over steile
paden. Maar de Sperenbarriere (Zulu voor Drakensbergen) zijn met hun
nevelflarden rond puntige kammen en loodrechte watervallen van
tientallen meters
hoogte te verleidelijk om te weerstaan. -------------
Lesotho. Sani-pas, Mokhotlong, Butha-Buthe, Maseru, Mohale's Hoek
-------------
Na 3 weken bereik ik via de Sani-pas (2874 m,
onverhard) het door Zuid-Afrika ingesloten, maar
onafhankelijke koninkrijk Lesotho. Het bergstaatje
Lesotho zou je het Tibet van Afrika kunnen noemen, want het is er hoog
(tot bijna 4000 m), steil, koud (de nationale dracht bestaat uit een
dikke wollen deken, een bivakmuts en rubber laarzen) en straatarm.
Veel wegen zijn onverhard, en er waaien straffe
winden. Maar als je van fietsen in de bergen houdt, is Lesotho wat Mekka
voor een moslim is. Voor m'n vertrek uit NL heb ik dan ook besloten om
het traject Kaapstad-Johannesburg in omgekeerde richting te doen, om zo
ruim voor de winter (mei-juli) in Lesotho te zijn.
Fietsen in Lesotho is inspannend, omdat
je vrijwel
voortdurend op 2000 meter boven N.A.P. bent, vaak nog hoger. Hieronder
het dagboekverslag van dag 22.
"Sani-pas naar Molumong, afstand 52 km / gemiddeld 10.7 / max 37.
Prachtige, zware dag. Schitterend weer, vrijwel
onbewolkt. Zware, onverharde klim naar de
Kotisephola-pas, 3240 m. Veel lopen en duwen, de weg (kuilen en losse
stenen) is te slecht en te steil. Kom onderweg 3 van de 5 dwaze maagden
uit NL tegen, en even later ook de 4 Duitse jongens, oude bekenden op de
terugreis, maar dan in een minibusje. Na 14 km op de
top. Deel snoep en sigaretten uit aan een paar herders in gescheurde
dekens, en begin daarna aan een lange, lange afdaling, ca. 1000 meter
verval in 20 km.
Onverharde weg, veel gaten en kuilen, pijnlijke polsen en vingers.
Harde, koude tegenwind, maar prachtige uitzichten over woeste bergbeken
en steile klippen. Af en toe een herder met een zelfgebouwde gitaar
(olieblik, kromme stok en een stuk touw) die tokkelend en neuriend op
een heuveltopje staat. Weergaloze bergpanorama's, woest en ledig, op een
paar herders en ruiters na ben ik alleen. En gelukkig."
Behalve koud en primitief is het in
Lesotho vooral
heel gezellig. De afstanden tussen 2 dorpen zijn doorgaans kort, het
krioelt er van de schoolkinderen in uniform die zwaaien, gillen en op de
foto willen, en de volwassenen maken een vrolijke, zelfbewuste en trotse
indruk.
|
Geen enkele
keer word ik aangesproken met "baas" of "master", zoals Zuidafrikaanse
zwarten vaak doen. Maar Lesotho heeft dan ook nooit tot Z-A behoord, en
kent daarom geen geschiedenis van apartheid en onderdrukking.
------------------------
Karoo en Garden Route. Aliwal North, Middelburg,
Graaff Reinet, Port Elizabeth, Tsitsikamma,
Oudtshoorn.
------------------------
Op dag 31 rijd ik de grens weer over, terug in de
golvende vlakten en de jaren vijftig-sfeer van
Afrikaner Zuid-Afrika. In tien dagen steek ik de Grote Karoo over, een
uitgestrekte halfwoestijn, droog, stoffig, dor en desolaat. Met deze
etappe heb ik veel moeite. Door de warmte maar vooral door de wind, die
ongehinderd door bomen, bergen of andere natuurlijke windschermen, vrij
spel heeft. Tot halverwege de ochtend betekent dat een briesje van opzij
of schuin achter. Maar na een uur of 10.00, als de Karoo is opgewarmd en
er een luchtstroming ontstaat vanaf de Indische Oceaan, draait de wind
en zwelt hij aan tot
een felle wind schuin tegen, die je de rest van de dag mentaal plaagt en
fysiek afmat. Het gevoel alsof je op een eindeloze roltrap loopt, maar
dan tegen de draairichting in.
Voordat ik naar Z-A vertrok, hebben veel mensen me gevraagd of ik niet
bang was om te worden beroofd of neergestoken. Tenslotte staat Z-A
bekend als een land net torenhoge criminaliteitscijfers. Die cijfers
liegen niet, en als je om je heen kijkt zie je overal bordjes "security"
en vingerdikke tralies. Voordat je een bank binnen mag, gaat er een
bewaker met een metaaldetector langs je lichaam, op zoek naar een gun.
Maar tot nu toe voel ik me heel prettig in dit land.
De mensen - blank, kleurling of zwart - zijn in het
algemeen een stuk spontaner, vrolijker en minder
zuurgestresst dan in NL, en overal word je met grote gastvrijheid en
warmte ontvangen. Lees bijv. wat er gebeurde op dag 47, een tamelijke
doorsneedag. "
Tussen de middag zit ik te lunchen langs de weg, er is toch nauwelijks
verkeer. Op een gegeven moment komt er een bakkie de hoek om stuiven,
met twee oudere blanke mannen. Zodra hij me ziet, trapt de bestuurder op
de rem. "Are you having trouble?", vraagt hij bezorgd.
"No, lunch", zeg ik. "Sure?". "Yes, I'm fine, thank
you." "Where are you from?" "From Holland". "Hollandse mense zijn baie
baie goeie mense! Ben jij met de fiets? Helemaal naar Zuid-Afrika
gekomen om bij ons te fietsen?" Hij begint enthousiast m'n hand te
schudden.
"Ek hoop dat jij een lekkere tijd het!" "Baie dankie."
Twintig km verder kom ik in een kleurling-gehucht langs een winkeltje
bestaande uit 3 aan elkaar gelaste containers. Ik stap af om wat te
kopen, maar dat gaat zomaar niet. De eigenaar wil 't uit eigen zak
betalen, die portemonnee mag ik in mijn tas houden. Ik hoef maar wat te
bestellen, en hij regelt het. Koffie? Een sandwich? Misschien een Fanta
met een dikke zak chips?"
Probeer maar 's om in Nederland twee van dergelijke spontane,
vriendelijke types tegen te komen binnen een tijdsbestek van een middag.
Veel succes!--------------
Montague/Franschhoek/Stellenbosch/Kaapstad
--------------
Op dag 57, na 3452 km, bereik ik Kaapstad, de "Mother City", in 1652
door de V.O.C. gesticht als
verversingspost voor schepen van en naar Oost-Indie.
Kaapstad is werkelijk een lust voor het oog, voor de
tong, voor alle zintuigen. Architectuur uit de 17de
eeuw tot heden, prachtige musea, alle culturen van de wereld (Portugees,
Frans, joods, NL, Brits, Chinees, Indiaas, moslim, zwart-Afrikaans),
mediterrane, ontspannen sfeer, lekker goedkoop uit eten, zonnetje erbij
maar niet te warm... wat wil je nog meer?!
Ik logeer nu in de moslimwijk, onder het
tafellaken
van de Tafelberg. Vanuit mijn raam kijk ik uit op de
Tafelberg, zachtgroene minaretten en een blokkendoos aan vierkante
huisjes in geel, blauw, oranje, rood of lila pleisterwerk.
Mensen mensen, wat is het leven toch
mooi. Niet
altijd en immer, maar tot nu toe geniet ik intens van
deze reis. Baie lekkere groete!
Peter van de Beek
PS: dit verslag is natuurlijk veel te
lang. Sorry
hoor, de volgende keer wordt 't korter. Promise!
|
| 19-06-2003
Dag Philip,
Nog gefeliciteerd met je verjaardag!
Verder kan ik je,
vanuit Livingstone, Zambia, nabij de Victoria Falls,
feliciteren met de kwaliteit van m'n fiets. Tot nog
toe functioneert 'ie vrijwel probleemloos. Ga maar na,
na 4 landen en 5750 km, waarvan zo'n 10 % onverhard,
heb ik de volgende tussenstand:
|
* 2 lekke
banden
* 3 breuken in mijn eigen voordrager
* 1 breuk in het zadelframe (oud Rolls-zadel van
mezelf)
Gecorrigeerd voor mijn
eigenwijsheid en
Avaghon-vreemde elementen, komt de tussenstand dus uit
op 2 lekke banden (2 x een scherpe doorn, je kent ze
wel).
Vriendelijke groet, Peter
|
Reisverslag nr 2
Francistown Botswana
Francistown, zondag 8 juni 2003, totaal 5148 km.
Vrienden!
Vanuit een bewolkt en koud Botswana (18
graden) stuur ik hierbij het tweede verslag van mijn fietsreis door
Afrika, in de hoop dat jullie nog steeds willen weten hoe het me
vergaat.
Het is vandaag een historische
dag, en niet alleen omdat het de 100ste reisdag
betreft. Opmerkelijker is dat het vannacht heeft
geregend. En neerslag is in een woestijnig land als Botswana zo
kostbaar, dat de nationale munteenheid, de pula, 'regen' betekent. De
pula is trouwens verdeeld in 100 thebes, ofwel 'druppels'.
Het is nu droog, maar er ligt nog voor een fortuin aan thebes op het
tentdoek.
Wat vooraf ging
---------------
Eind februari ben ik naar Johannesburg (Zuid-Afrika) gevlogen, met
fiets, tent, muskietennet en genoeg reservemateriaal om 12 maanden te
kunnen overleven
in sub-Sahara-Afrika. Het plan is om in ongeveer 7 maanden van Kaapstad
naar Nairobi (Kenia) te
fietsen, solo, maar in Malawi waarschijnlijk begeleid door een
fietsvriendin. Verloopt dat allemaal zonder zware
ziektes en bijtende beesten, dan fiets ik nog enkele maanden door via
Ethiopie, Sudan en Egypte.
In mijn eerste bericht (3 mei) heb ik verslag gedaan van het traject
Johannesburg - Kaapstad via Lesotho.
Nu een samenvatting van de tweede etappe, Kaapstad - Jo'burg (trein) -
Francistown.
Kaapstad/Jo'burg/Germiston
--------------------------
Na een korte fietstocht vanuit Kaapstad naar Kaap de Goede Hoop, waar de
koude Atlantische Oceaan en de warme Indische Oceaan elkaar ontmoeten,
neem ik op
vrijdag 9 mei de trein terug naar Johannesburg.
Hemelsbreed is dat circa 1700 km, dwars door de
halfwoestijn van de Karoo, via 30 tussenstops in
stoffige dorpjes. De trein doet er 29 uur over.
Ik geniet van elke minuut in dit onbarmhartige landschap. Een zee van
goudgeel prairiegras onder een kobaltblauwe hemel, afgezet met lage
tafelbergen, een enkele farm, wat huisjes met tengere kleurlingen,
ijzeren windmolens boven een waterput, en hier en daar de spits van een
Nederduits-Gereformeerde kerk - het heeft iets
abstracts, iets onwerkelijks, alsof je door het
decor rijdt van een film waarvan de crew al lang geleden van de dorst is
omgekomen.
In een voorstad van Johannesburg breng
ik
aansluitend een lang weekend door bij Nettie, Heidi, Karin en Geertine,
4 Nederlandse studentes die ik eerder tegenkwam in de Drakensbergen, en
die in Germiston
stage lopen in een opvanghuis voor weeskinderen. Een erg gezellig en
ontspannen weekend, waarin ik word overladen met pannenkoeken, snoep en
vrolijk meiden- gekwetter. Maar ook een nuttige tijd, want
vanuit Germiston, had ik zo bedacht, kan ik
eenvoudig in Pretoria m'n visum voor Zambia regelen. Dat visum kost me
echter een lang verblijf in de wachtkamer van de Zambiaanse High
Commission. De regels blijken
namelijk niet te voorzien in een toerist die zelfstandig, zonder
vastgelegde route en voorgeboekte hotels, en ook nog per fiets door het
land wil trekken.
Uiteindelijk krijg ik na 2 dagen soebatten
en een aanbevelingsfax uit Nederland (Coen en Andre: nogmaals dank!) het
gevraagde stempel. En nog wel van de High Commissioner zelve, die nu wel
's wil weten wie toch die veelbesproken fietser is. "Je krijgt het
visum", zegt de man met opgeheven vinger, "maar op 1 voorwaarde. Ik wil
dat je me persoonlijk belooft dat je veilig door Zambia zult fietsen,
want we willen
geen ongelukken." Met mijn meest officiele gezicht doe ik de High
Commissioner van de Republiek Zambia te Pretoria de plechtige belofte
dat ik er alles aan zal doen, werkelijk alles, om heelhuids en zonder
bloedvergieten door zijn prachtige, gastvrije land te reizen, echt waar.
Germiston/Ogies/Middelburg/Belfast/
Dullstroom/Lydenburg/Sabie/Kruger
Park
-----------------------
Op dag 75, woensdag 14 mei, neem ik
afscheid van de 4 dwaze maagden, en koers naar het oosten richting
Kruger Park. De eerste paar dagen trek ik door een vlak en lelijk
gebied, een mengeling van maisvelden en kolenmijnen.
|
In dit gebied
wordt ruim de helft van de Zuid- afrikaanse kolen gewonnen; geen
toeristische
trekpleister, maar ik vind het interessant om ook 's
de niet-toeristische delen van een land te zien.
Uit mijn reisdagboek: "Veel vervallen, roestige
industrie-installaties, grasbegroeide
bedrijfsterreinen, viaducten met waarschuwings- poortjes voor trucks
etc. Enorme, enorme kolentreinen, op kruipsnelheid onderweg naar de
Indische Oceaan. Ik tel 3 locomotieven en 36 wagons, en ben nog niet
eens op de helft. Prachtig gezicht,
zo'n trage, eindeloze slang door een maisveld.
Lunchpauze in Middelburg. In de Pick 'n Pay
supermarkt, waar ik m'n fiets veiligheidshalve naast de kassa's parkeer,
weer veel verwonderde gezichten van zwarte caissieres. Zuidafrikanen, en
zeker de niet-blanken, zijn stomverbaasd als je zegt dat je per dag meer
dan 3 km fietst, laat staan 100, laat staan al een paar 1000 in totaal.
('Wat?! Op dat ding!? Met al die sakkies?!').
"Na Belfast verandert het landschap, en
beland ik in de heuvels en bergen van Mpumalanga, met passen tot bijna
2200 meter. Uit mijn dagboek: "Zonnig weer, maar tamelijk schraal en
koud. Dullstroom (2100 m) kondigt zich in de verte aan als een meertje
van glinsterende daken, de vertrouwde tinnen platen op de matchbox
houses van een townshipje.
Het begint herfst/winter te worden. Circa de helft van de bomen is
prachtig geel of roodbruin, de velden zijn kaal, de zon heeft moeite om
's ochtends door de nevel te komen.
Curieuze is dat tussen de Europese bomen (berken, eiken) ook af en toe
een acacia of palmboom staat, tot op grote hoogte.
Tussen de middag zie ik in een cafe de begrafenisplechtigheid van Walter
Sisulu (91).
Indrukwekkende staatsbegrafenis. Maar wat me het meest zal bijblijven is
de bijna lichamelijke manier van tv-kijken van het zwarte personeel.
Niemand voert wat uit, de meesten kijken roerloos, sommigen met luid
commentaar, duidelijk zeer betrokken bij de laatste reis van een grote
held van de anti-apartheidsstrijd.
Alleen de kok, een blanke snor, staat met zijn rug
naar het beeld."
Enkele dagen later maak ik met 5 andere
toeristen een game drive door het Kruger Park. Ik hoop niet dat het
geborneerd klinkt, maar na alle opgewonden verhalen valt dat park me in
werkelijkheid 'n beetje tegen. Niet dat er geen dieren zijn, integendeel
- alleen al voor de koffiepauze spotten we 4 neushoorns, 2 hyena's, een
dozijn giraffen, tientallen impala's, een grote groep olifanten, apen,
zwijnen, kudu's en niet te vergeten een parend leeuwenstelletje. Maar
het landschap is eentonig en winter-kaal, zeg maar gerust saai. En de
honderden kilometers asfaltwegen en uitputtend geoutilleerde
picknickplaatsen (incl. restaurant, postkantoor en
benzinepomp) zorgen ervoor dat het park nogal
synthetisch aandoet. Geen wilderness experience, eerder een
personeelsuitje naar Burgers Dierenpark, maar dan in het groot. "Ik ben
blij dat ik in deze Landrover zit, en ondertussen 4 buffalo's en een
groep zebra's kan zien. Maar ik ben even blij dat ik
morgen weer uit deze toeristen-cocon kan ontsnappen."
Blyde River Canyon/Pietersburg/Vivo/Botswana
--------------------------------------------
Via het kloofdal van de Blijde Rivier, met
indrukwekkende gezichten op de bergen rondom, reis ik daarna langs
bananenplantages in het warme Laagveld naar Pietersburg, en van daar
richting Botswana.
Uit
m'n dagboek: "Dag 88, Pietersburg-Vivo. Dist 110; tm 4:29; av 24,7; max
44; odo 4688. Warme dag.
Eerste daad: de twee Zuidafrikaanse reisgidsen naar NL gestuurd, scheelt
zomaar 960 gram. Tot Kalkbank en Dendron een volstrekt leeg en vlak
landschap, spijkerbroekenreclameplaatje, met hier en daar een tafelberg
aan de horizon, telefoonpalen en een lang, recht, brokkelig asfaltlint.
Armoedige dorpjes, als ze er al zijn, van een paar huizen in een berg
stof, met
zwarte inwoners die alleen Sesotho spreken. Verder uitgestrekte farms,
duizenden hectares groot, met Nederlandse namen bij de inrit (Van der
Merwe, Smit). Aardappelteelt. Water komt uit boorgaten diep in de
kurkdroge bodem. (..)
In Dendron, een kruising met winkel en
pompstation, staat een kleine, zwarte vrouw
van rond de dertig enthousiast naar mijn fiets te
kijken. Sinds kort heeft ze ook een fiets, zegt ze in
een mix van Afrikaans en Engels. En dat is zo prettig, want het scheelt
veel tijd als ze tussen de middag even naar huis wil (700 meter), of
naar haar oude dorp (7 km). Voorheen liep ze dat altijd, maar nu is ze
er stukken sneller.
|
Ook haar 2
kinders hebben een fiets,
en daarmee fietst ze in het weekend weleens naar haar oude dorp. 'Een of
anderhalf uur doen we erover. Niet te hard, want anders word ik moe.
Heerlijk!' Bij wijze van toetje vertelt ze dat ze Maandag Oor heet.
Maandag omdat ze op een maandag is geboren, en Oor is de familienaam.
Als ik antwoord dat we in Nederland zeggen: "Koop nooit een auto die op
maandag is gemaakt, want de monteur was waarschijnlijk nog slaperig van
het weekend.", barst ze in lachen uit.
"Oh, dus ik heb misschien mankementen?" "Nou ja, eh, dat weet ik niet
hoor. Je bent dan weliswaar op een maandag geboren, maar misschien op
een vrijdag gemaakt." Ze hikt 't uit van het lachen. "When will you be
coming back? Next week? In two weeks?" "On a nice, fine day. Promise." "OK!
On a nice, fine day!
Tot siens!" Een beetje beduusd over zo veel natuurlijke blijheid rijd ik
verder."
Limpopo-rivier/Mathathane/Selebi
Phikwe/Francistown
---------------------------------------------------
Op dag 90, donderdag 29 mei, steek ik bij het gehucht Platjan de Limpopo
over, de grensrivier met Botswana.
's Avonds kampeer ik aan de rand van Mathathane, het eerste dorpje dat
ik tegenkom in het (zeer dunbevolkte) Botswana, zo'n 50 km over de
grens.
Het plan is om slechts 1 nacht in Mathathane te blijven, en dan in 2
lange etappes door te fietsen naar Francistown, de tweede stad van
Botswana, een geschikte pleisterplaats. Maar 's nachts slaat het noodlot
toe in de vorm van overgeven en diarree, symptomen van een
voedselvergiftiging, dysenterie of een ander maag-darm-probleem. Heel
vervelend, maar in de woorden van J. Cruijff: ieder nadeel heb z'n
voordeel. Want zo krijg ik 'n paar dagen later de kans om een
familiefeest bij te wonen.
"Zaterdag 31/5. Ochtend gaat goeddeels voorbij met biscuit eten en
slappe thee drinken. Rond elven word ik door de oude buurman uitgenodigd
voor een bijeenkomst ter voorbereiding van een bruiloft over enkele
maanden. We lopen naar een huis verderop in het dorp, waar zo'n 60
mensen bijeen zijn, allen zeer zwart. Een paar middelbare vrouwen en
jonge mannen dansen op vrolijke muziek, de rest (veel ouderen) zit
gezellig babbelend in de schaduw, op de grond of in
plastic stapelstoelen. Ik krijg als enige gast een pot
melkthee en een schaal droge koek, de anderen drinken niet. Na een
uurtje is het opeens muisstil, de muziek gaat uit, er wordt vergaderd
over een geschikte trouwdatum. Na ongeveer een uur gedelibereer, waarbij
de oudste en meest prominente mannen en vrouwen hun
visie geven aan de hand van een bureaukalender, zijn ze er geloof ik
uit, maar helemaal zeker weet ik dat niet. De muziekinstallatie gaat
weer aan, doch het bandje blijft hangen.
Dan maar de radionieuwsdienst.
Een item gaat over het staatsbezoek van de Angolese president, een ander
bericht betreft passende strafmaatregelen voor verkrachters. Als ik 't
goed begrijp kan een verkrachter in Botswana gestraft worden met
'verwijdering van zijn libido', id est castratie. "Snijden ze echt z'n
ballen eraf?", vraag ik de oude buurman. "Jaja", gnuift hij, "zo gaat
dat hier".
Vervolgens gaat iedereen aan de lunch,
maispap met geitenvlees. Ik laat het eten aan me
voorbijgaan, want erg smakelijk ziet het er niet uit,
en iedereen zal ondertussen wel weten dat ik een
beetje ziek ben, dus ik heb een excuus. Na de lunch loop ik wat rond, en
kom achter het huis een schaal tegen met de laatste stukken geit, twee
poten en een kop die me glazig aankijkt. 'Eerst schraap je de vacht van
de poten, en daarna gaan ze in de soep. De kop koken we ook.', zegt een
vrouw enthousiast. Maar ik heb al gegeten."
Inmiddels ben ik, na een bezoek aan een
arts in
Selebi-Phikwe, een antibioticakuur en een viertal
korte etappes dan toch nog in Francistown gearriveerd.
De afgelopen dagen heb ik gerust en een waslijst aan huishoudelijke
klusjes afgewerkt, zoals kapotte
kleding laten herstellen, groot onderhoud aan de
fiets, de voordrager laten lassen, naar de kapper,
e-mail checken, een pakket met overbodig materiaal op de post doen en
... dit reisverslag schrijven.
Ik ben bang dat dit verslag weer veel te
lang was.
Maar hopelijk was het wel smakelijk en informatief. Zo niet, bedenk dan
als troost dat ik nog veel meer had kunnen opschrijven, met gemak het
driedubbele.
En nog een troost: intussen schijnt de zon weer boven Botswana, en is
m'n tent drastisch minder waard geworden.
Sala sentle!
Peter van de Beek
|
Reisverslag nr 3
Lilongwe, Malawi
Lilongwe,
Malawi, di. 15 juli 2003, totaal 7163 km.
Vrienden!
Vanuit een onbewolkt Malawi (28 graden)
stuur ik
hierbij het derde verslag van mijn fietsreis door
Afrika, heimelijk hopend dat jullie me nog niet
vergeten zijn. Ik zal proberen er een leuk & leesbaar
verhaal van te maken. Garantie daarop kan ik helaas
niet geven, want na een opwindende nacht is mijn geest
niet helemaal helder. Maar ik doe m'n best.
Wat vooraf ging
---------------
Eind februari ben ik naar Johannesburg (Z-Afrika)
gevlogen, met fiets, tent, muskietennet en genoeg
reservemateriaal om 12 maanden te kunnen overleven in
sub-Sahara-Afrika. Het plan is om in circa 7 maanden
van Kaapstad naar Nairobi (Kenia) te fietsen, solo,
maar in Malawi begeleid door een fietsvriendin.
Verloopt dat allemaal zonder zware ziektes en bijtende
beesten, dan fiets ik nog enkele maanden door via
Ethiopie, Sudan en Egypte. Op 3 mei heb ik bericht
over het stuk Jo-burg/Kaapstad, gevolgd door een
verslag op 8 juni van het traject Jo-burg/Francistown.
Nu een samenvatting van de derde etappe, van
Francistown naar Lilongwe.
Francistown/Nata/Kasane
-----------------------
In een slechte stemming verlaat ik op 10 juni
Francistown, Botswana. Het is al dagenlang koud en
miezerig, met harde wind en af en toe een donderklap.
Geen weer om vrolijk rond te fietsen. Maar 't meest
wordt mijn humeur bepaald door een onheilsmailtje van
Caroline, de fietsvriendin die me in Malawi zou
begeleiden. Eind mei is er een ziekte bij haar
geconstateerd die weliswaar niet levensbedreigend is,
maar zo ernstig dat ze direct is geopereerd. De
komende maanden, schrijft ze in haar mail, is van
werken of sporten geen sprake, laat staan van fietsen
in een ontwikkelingsland. Voorlopig woont ze weer bij
haar ouders, waar ze weinig anders doet dan rusten. In
wat een van de duurste gesprekken uit de geschiedenis
van Botswana Telecom moet zijn geweest, probeer ik
haar beterschap te wensen. Maar zij, de schat,
bekommert zich meer om de gevolgen van haar ziekte
voor mij - en ik geef toe, het voelt ineens tamelijk
zinloos en vrijblijvend om solo en zonder doel door
Afrika te fietsen. Ik had me erg verheugd op haar
komst. Nu moet ik me gaan instellen op een andere
tocht en een lange periode zonder reismaatje. Kan ik
die eenzaamheid aan? "Vast wel", zegt C. via de
satelliet vanuit Nijmegen. "Ik weet zeker dat 't je
gaat lukken."
Botswana is een relatief rijk en modern
land, dat
economisch drijft op veeteelt en mijnbouw (diamant,
goud). Even on-Afrikaans (ik zou bijna zeggen saai) is
het gegeven dat het land al 40 jaar een stabiel
democratisch systeem kent, met regelmatige
verkiezingen, onafhankelijke rechtspraak en vrije
oppositie en pers. Circa 90 procent van het land
bestaat uit woestijn of half-woestijn, een gebied zo
uitgestrekt als Frankrijk, maar zeer dunbevolkt (nog
geen miljoen inwomers). De andere 1 miljoen
Botswanezen wonen in een smalle strook langs de grens
met Zuid-Afrika. Ga je naar een plek buiten die
strook, dan dien je slim te plannen en op tijd
voorraden in te slaan, want de afstanden zijn groot.
Van Nata naar Kasane bijvoorbeeld, bij de grens met
Zambia, is het zo'n 300 kilometer leegte, met alleen
een bosbeheerderskamp na 105 km, en een dorp na 200
km.
In Nata koop ik daarom 2 broden, 5
blikjes vis,
spaghetti, benzine voor de brander, fruit, vruchtensap
en 7 liter water, genoeg om het twee dagen te redden.
Bij cafe Crossroads (bij de kruising) informeer ik
naar de route. "Het wemelt er van de wilde dieren",
vertelt de eigenaar. "Olifanten, buffalo's, misschien
ook leeuwen. Een erg gevaarlijk stuk." Als ik zeg dat
dat misschien reden voor me is om een lift aan een
vrachtwagen te vragen, antwoordt hij: "Not maybe! You
take that lift, young man! I have lived in Botswana
for 67 years now, so I know what I'm talking about!"
Even sta ik op het punt om een truck aan te houden.
Maar volgens de politiecommissaris van Nata heb ik
weinig te vrezen - door de droogte concentreren de
dieren zich langs de grote rivieren in het noorden.
Nou, vooruit dan maar. Slingerend van
alle extra
kilo's begeef ik me op weg naar Kasane, de leegte in.
Uit mijn dagboek: "Slaapverwekkende route, vlak en
kaal, nauwelijks schaduw, 1 of 2 auto's per kwartier,
wind schuin van rechts, soms tegen, dan weer achter.
Geen enkel dorp of kruising-met-winkel, zelfs geen
boerderijen, een enkele keer een zanderig zijpad. Om
de monotonie te doorbreken stel ik mezelf
tussendoelen: eerste drinkpauze na 25 km, koffie met
koekjes na 40 km, lunch tussen km 60 en km 70. Bij km
69 een veterinaire controlepost, d.w.z. een slagboom,
een goot met ontsmettingsvloeistof tegen mond- en
klauwzeer, een tentenkamp, een radiomast en een grote
tank met drinkwater. Vriendelijke controleurs, die me
in de schaduw van hun tent uitnodigen om m'n lunch te
eten (1 blikje vis). Prettig, want het is smoorheet,
zeker 32 graden. Niettemin vinden sommige controleurs
het maar frisjes, twee vrouwen dragen zelfs wollen
truien. Nee, dan 's zomers, dan wordt het hier met
gemak 40 graden, soms zelfs 50." Twee dagen en zo'n
200 km later schrijf ik in mijn reisjournaal: "Vlak
voor de koffiestop een giraffe aan de linkerkant van
de weg, die traag wegdraaft als ik nader. Verder geen
wilde dieren, behalve wat wilde zwijnen, impala's,
roofvogels en een groep van 40 bavianen die de weg
over rent. Af en toe speur ik geconcentreerd het bos
af naar grazende olifanten of doezelende leeuwen, maar
meestal vergeet ik dat ik door een forest reserve
rijd." Na drie dagen bereik ik Kasane, nog immer
zonder een ontmoeting met een gevaarlijk dier. Wel een
beetje jammer, het had zo spannend kunnen zijn...
Kazangula/Victoria Falls
------------------------
Na een bezoek aan Chobe National Park, een schitterend
wildreservaat langs de Chobe rivier, steek ik op dag
109 bij Kazangula de Zambezi over, de grensrivier met
Zambia. De overgang van welvarend, geordend Botswana
naar arm, chaotisch Zambia is direct duidelijk. "De
ferry over de Zambezi is een all-African experience",
noteer ik. "Een tamelijk gammele schuit uit de jaren
voor de onafhankelijkheid, met een dek van
versplinterde planken en ijzeren platen die decimeters
omhoog krullen, voorzover ze niet ontbreken.
|
Onder dikke
wolken dieselrook aanvaarden we de overtocht,
een reis van 20 minuten.
We, dat zijn 1 vrachtwagencombinatie, een dozijn voetgangers,
1 Landrover met Zuidafrikaanse zendelingen en 1 fietser.
De wachttijden voor autoverkeer op de enige verbinding
tussen Botswana en Zambia liggen in de orde van een
halve of een hele dag, dat laat zich vlot uitrekenen.
Aan de overkant geen probleem met de Zambiaanse
douane. 'Op weg!', galmt het door m'n hoofd. 'Dit is
het echte Afrika!'"
Twee dagen
later wandel ik in gezelschap van Hideki,
een Japanse motorrijder op wereldreis, naar de
Zambiaanse kant van de Victoria Falls, de watervallen
in de Zambezi op de grens met Zimbabwe. Maar eerst
even wat cijfers & geschiedenis. De Victoria Falls
zijn zo'n 1700 meter breed en 110 meter hoog, bijna 2
keer breder en hoger dan de Niagara Falls in de VS.
Aan het eind van het droge seizoen stroomt er circa 1
miljoen liter water PER SECONDE over de rand, bij hoog
water het tienvoudige, het dubbele van het
Niagara-volume. De enorme nevelwolken die daarmee
gepaard gaan, zijn zichtbaar tot op 80 kilometer
afstand. De locale naam voor de falls, voordat ze door
de Schotse missionaris David Livingstone naar Queen
Victoria werden genoemd, luidde dan ook Mosi-oa-Tunya,
"de rook die dondert". Ironisch genoeg was Livingstone
hevig teleurgesteld toen hij in 1855 de watervallen
ontdekte. Het enorme obstakel frustreerde immers zijn
streven om de Zambezi te gebruiken als transportroute
voor bijbels en handelswaar naar het hart van Afrika.
Pas nadat het nieuws van de ontdekking Londen had
bereikt, en daar een sensatie veroorzaakte, overwon
Livingstone zijn teleurstelling en schreef hij de
befaamde zinnen "No-one can imagine the beauty of the
view from anything witnessed in England. Scenes so
lovely must have been gazed upon by angels in their
flight."
Terug naar juli 2003. De Vic Falls zijn
nog steeds
even lovely en beautiful als in 1855, een
onvoorstelbaar mooi gezicht. Maar het meest
indrukwekkend is het geluid - een grommend ruisen, een
muur van gebulder, alsof er langzaam een oneindige
vrachttrein door je hoofd dendert. Uit m'n
reisjournaal: "Door de nevelwolken (het is hoog water)
is de voet van de waterval niet te zien, maar je hoort
het kolkende water zich een uitweg door de Batoka
Kloof persen. Aan beide kanten van de kloof liggen
stukken regenwoud die gevoed worden door de nevel, een
wonderlijke tegenstelling met de kurkdroge omgeving
boven de kloof. Hideki en ik huren poncho's om langs
de falls te lopen, maar zelfs met zo'n oliejas aan is
het nog moeilijk om droog de overkant van de
voetgangersbrug te halen - van boven worden we belaagd
door stortbuien, en van onder door opgestuwde nevel.
Het is grappig om met Hideki op pad te zijn, hij is
kinderlijk blij met de mooie uitzichten. Met z'n
digitale video legt hij alles vast, om op te sturen
naar z'n verloofde, die thuis in Osaka op hem wacht.
Ze moet wel veel van 'm houden. De reis door Siberie,
Europa en West-Afrika kostte al 14 maanden, en voor
het vervolg door Oost-Afrika, Azie, Australie en
Amerika rekent H. op nog een jaar of twee."
Lusaka/Chipata
--------------
Via Lusaka, de hoofdstad van Zambia, rijd ik in de
weken rond 1 juli naar het oosten, richting Chipata en
Malawi. Een vermoeiend stuk van 1200 km, want de weg
telt veel kuilen en gaten, en vrijwel elke dag staat
er een straffe zuidoostenwind, die me het liefst weer
terugduwt naar Botswana. Desondanks ervaar ik dit
traject niet als vervelend, integendeel. Het landschap
is groen en afwisselend, de mensen zijn in het
algemeen heel vrolijk en hartelijk, en ondanks de
eenvoud en de armoede is er altijd voldoende goed
voedsel te koop - wat wil een mens nog meer? Uit mijn
reisdagboek: "Dinsdag 1 juli, dag 123,
Lusaka-Monkonka, 119 km. Na 15 km droogt het verkeer
uit Lusaka op, waarna ik de Great East Road vrijwel
voor mezelf heb. Warme dag, echt een dag om liters
vocht te verliezen. Interessant landschap: lange,
rollende heuvels, bananenbomen, acacia's, cactussen en
baobabs, en iets van de hoofdweg af een lint van
rieten hutjes. Hoog pluimgras langs de kant, tot zo'n
2 meter hoogte, waardoor het soms net lijkt alsof je
tussen Engelse heggen rijdt. Op de rand van het asfalt
veel grote cylindervormige zakken houtskool, te koop
voor 15-duizend kwacha (3 dollar). Families in de
dorpjes langs de weg kappen het hout ergens in de
omgeving, laten het drie dagen branden, en ziedaar, al
weer een zak houtskool. Dat is natuurlijk een recept
voor ontbossing, maar wie kan die keuterboertjes
ongelijk geven? Ze zijn arm, er zijn nog genoeg bomen,
en het geld is goed. 's Avonds aangeklopt in Monkonka,
een dorpje van tien hutten, ergens langs de Great East
Road. Van de chief (dorpsoudste) mag ik mijn tent
opzetten tussen wat bomen, dichtbij zijn huis en ook
dichtbij het geitenhok. Snel gekookt bij het licht van
de zaklantaarn, macaroni met tonijn. Prachtige
sterrenhemel, op een paar houtskoolvuurtjes na is er
geen achtergrondlicht dat de hemel kan verbleken.
Volgens de chief wordt de langgerekte sterrennevel die
we zien "de staart van de geit" genoemd. Als de staart
da/a/r staat (hij wijst zo'n 90 graden met de klok
mee), komen de regens. In die periode regent het soms
de hele dag. Maar als de staart daar staat (hij draait
een stuk verder), wordt het weer maandenlang droog. 's
Nachts veel gemekker van de reeel bestaande geitjes
naast me. Jaja, dan denk je dat het rustig is op het
platteland, ver weg van alle stadse rumoer. Vergeet
het maar. Een gemiddeld Afrikaans erf telt toch al
gauw een kraaiende haan, een half dozijn kippen, wat
geiten, een ezel of en koe, en soms een hond. Genoeg
voor een heel carnaval des animaux. Overigens laten de
geiten ook harde winden, ze kennen geen enkele
schaamte."
Lilongwe
--------
Op zondag 13 juli, dag 135, steek ik bij Chipata de
grens met Malawi over, en rijd de volgende dag door
naar Lilongwe. Nog net voor sluitingstijd ben ik bij
het postkantoor. Als ik geluk heb, ligt daar een
pakket voor me van Andre, mijn postmaster in Utrecht,
met reisgidsen, kleding, een buitenband en wat
onderdelen voor m'n haperende benzinebrander. En
zowaar, het is er al 3 dagen! Tevreden rijd ik met de
doos op het stuur naar de camping, zet m'n tent op, en
deel de nacht met een Telegraaf en een paar
Volkskranten van 3 weken geleden. Nooit geweten dat
oud nieuws zo opwindend kan zijn!
Tsala bwino,
Peter van de Beek
PS: dit verslag was natuurlijk weer veel
te lang,
sorry; ik ben bang dat ik het nooit leer.
|
Reisverslag nr 4
Iringa, Tanzania
Iringa,
Tanzania, 21 aug 2003, totaal 8915 km.
------------------------------------------------------
Vrienden!
Vanuit een bewolkt en broeierig Iringa
(30 graden)
stuur ik hierbij het vierde verslag van mijn fietsreis
door Afrika. Gezien de reacties op mijn vorige mail
geloof ik dat jullie me nog niet vergeten zijn. Dat is
goed om te weten, want het staalt mijn benen en het
sterkt m'n moraal. Fietsen door Afrika is immers lang
niet altijd even gemakkelijk...
Wat vooraf ging
---------------
Eind februari ben ik naar Johannesburg (Zuid-Afrika)
gevlogen, met fiets, tent, muskietennet en genoeg
reservemateriaal om 12 maanden te kunnen overleven in
sub-Sahara Afrika. Het plan is om in circa 7 maanden
van Kaapstad naar Nairobi (Kenia) te rijden. Verloopt
dat allemaal zonder zware ziektes en bijtende beesten,
dan fiets ik nog enkele maanden door via Uganda,
Ethiopie, Sudan en Egypte. Op 3 mei, 8 juni en 15 juli
heb ik verslag gedaan van de eerste drie trajecten. Nu
een samenvatting van de vierde etappe, Lilongwe
(Malawi) - Iringa (Tanzania).
Lilongwe/Dedza/Balaka/Mangochi/Cape
Maclear
-------------------------------------------
Eerst maar 's iets grappigs. Op vrijdag 18 juli, dag
140, loop ik 's middags door het centrum van Lilongwe,
de hoofdstad van Malawi, op zoek naar fatsoenlijke
kettingolie. Het is ongebruikelijk druk, de stoep ziet
zwart van de mensen die allemaal naar rechts kijken,
in de richting van de zuidelijke rotonde. Ik vraag wat
er aan de hand is. "De president komt er aan", zegt
mijn buurman. "Hij heeft de begrafenis van een
minister bezocht, en keert nu terug naar huis." Wel,
dat wil ik weleens zien. Hopelijk duurt het wachten
niet te lang, een Malawiaan kijkt vermoedelijk niet op
een uur als 't om zijn president gaat. Na zo'n 20
minuten begint de menigte in het zuiden te klappen,
een geluid dat langzaam onze kant op komt. Een
politiewagen scheurt voorbij, met zwaailicht en
claxon, daarna een hele tijd niets, dan drie
legerauto's, en weer even niets. Maar dan gebeurt het.
Een colonne van 20 auto's verschijnt om de bocht, twee auto's
breed (het gehele centrum van de stad is afgezet, dus
dat kan), aangevoerd door een paar legerjeeps met
trosjes veiligheidsagenten op de treeplank, die
rondspeuren naar verdachte elementen. In pakweg de
tiende auto zit president dr Bakili Muluzi, een breed
lachende dikke vijftiger, aanvoerder van het United
Democratic Front. Hij krijgt een ovatie van het
publiek, men juicht en stampt, en Muluzi zwaait net zo
vrolijk terug. Even vraag ik me af of nu ook nog
Poetin en Bush voorbijkomen, gegeven alle pomp &
circumstance. Maar nee, het is echt alleen bedoeld
voor Muluzi van Malawi, bezig aan z'n tweede
ambtstermijn, die terugkeert van een alledaags
werkbezoek aan de provincie.
De volgende dag fiets ik de stad uit
naar het
zuidoosten. Het landschap is een stuk interessanter
dan in Zambia, dat valt direct op. Rollende heuvels en
her en der middelhoge bergen met grillige vormen, die
als Monatoetjes in het landschap lijken te zijn
geplaatst. Veel akkers met bananenbomen, suikerriet of
mais, en moestuintjes met kool, tomaten, uien,
aardappelen en cassava. Wat ook meteen opvalt: Malawi
is veel dichter bevolkt dan Zambia, minimaal een
factor 10. Overal, letterlijk overal, word je
aangesproken, aangestaard, toegeroepen dan wel
nagefloten, meestal niet op een vervelende manier,
maar soms wel. Veel mensen groeten me, en circa 1 op
de 10 vraagt vervolgens om geld. Anderen beginnen het
intermenselijk contact zonder omhaal met "Give me
money!", aarzelend uitgesproken, assertief of ronduit
agressief. Tamelijk irritant, en een groot contrast
met de bescheiden, zachtaardige, vaak 'n beetje
sukkelige Zambianen. En bleef het maar bij vragen om
geld. Nee, de witte vreemdeling moet ook aandacht
geven, hier en nu. Vooral kinderen (en daar zijn er
veel van) hebben er een handje van om vlak voor m'n
fiets over te steken, op me af te rennen, of luid
"hawwarjoe?!" en "mzungu!" (blanke!) te roepen. Maar
ja, denk ik dan vergevingsgezind, er is ook niets te
doen in dit dorp, ze hebben nauwelijks speelgoed, en
hoe vaak trekt er nou een blanke fietser voorbij? Eens
per maand? Een keer per jaar?
Het probleem is echter dat niet alleen
de kleintjes
alles uit hun handen laten vallen zodra ze mij in het
oog krijgen, maar ook veel volwassenen. Ik begrijp er
weinig van. Is het gebrek aan zelfdiscipline en/of
concentratievermogen? ADHD? Of zijn ze gewoon
nieuwsgieriger en minder geremd dan wij, koele
westerlingen? Uit mijn reisjournaal: "Ik fiets langs
een primary school waarvan de leerlingen om
onduidelijke redenen in de tuin zitten, met een juf of
meester voor een bord onder een boom. Ik zie een stuk
of 6 klassen op het terrein, elk van zeker 50 jongens
en meisjes, vaak in uniform, maar niet altijd. Een
klassiek Afrikaans tafereel. Ik stop om het beter te
kunnen bekijken, maar houd expres ruim afstand zodat
ik de boel niet afleid. Helaas, was dat maar waar. Een
voor een draaien de hoofden van de dichtstbijzijnde
klas naar me toe. De juf kijkt ook op. Sterker nog, ze
staakt haar les en steekt de weg over om een praatje
met me te maken. Maar dat is het sein voor de klas om
haar voorbeeld te volgen, en dat is weer het sein voor
de rest van de kinderen. De hele schooltuin loopt leeg
om mij te bekijken, wel 300 kinderen! De weg, een
drukke doorgaande verbinding, raakt zelfs verstopt,
auto's en fietsen laveren om de leerlingen heen.
"Misschien is het beter als je gaat", vertolkt de juf
mijn gedachten. "Je verstoort namelijk mijn les."
Huh?"
In Mangochi, iets onder Lake Malawi, wil
ik een tijdje
uitrusten. Mangochi was in de 19de eeuw een
belangrijke handelspost voor Swahili-Arabische
slavendrijvers, die hun menselijke waar via het meer
lieten aanvoeren vanuit grote delen van Malawi en
Zambia. Zelfs vandaag de dag heeft het stadje nog iets
Arabisch, met z'n warme klimaat, palmbomen, grote
moskee, kokosnootverkopers en mannen in witte jurken
en gebedsmutsjes. Ik wandel langs de rietbegroeide
oevers van de Shire, een rivier met prachtig uitzicht
op de omliggende bergen. Maar echt genieten doe ik
niet. Ik geloof dat ik zo onderhand schuw en gestresst
raak van alle aandacht. Elke tweede Malawiaan
lijkt wat van me te moeten - een groet, geld,
aandacht, een fles bier, een gesprekje, mijn adres. Ze
willen dat ik slippers koop, een wekker, houtsnijwerk,
auto-onderdelen, pinda's, hardgekookte eieren, slecht
klevende enveloppen, rieten manden. "Hey you! My
friend! I make you a good price!". Als muggen
zwermen de mensen om me heen, zeurend en zagend, en
zelfs op de gang van m'n hotel scharrelt nog een man
rond die wil dat ik een nijlpaard koop. "Echt
ebbenhout! Is het niet prachtig?" Na twee dagen vlucht
ik weg en rijd naar Cape Maclear, een badplaats aan
het meer waar veel westerlingen samenklonteren.
Eindelijk privacy, eindelijk rust, eindelijk een
gesprek met inhoud. Tot mijn grote vreugde kom ik
toevallig ook Hideki tegen, de Japanse motorrijder op
wereldreis die ik eerder ontmoette bij de Victoria
Falls, een maand geleden. "Hey mzungu! Hawwarjoe?!
You're my friend!"
|
Cape Maclear/Salima/Nkhata
Bay/Mzuzu
------------------------------------
Na een aantal dagen uitrusten, kano-en met Hideki en
stoere verhalen uitwisselen met andere reizigers, stap
ik eind juli weer op de fiets. Langs Lake Malawi
kamperen veel westerlingen (Australiers, Zwitsers,
Duitsers, Nederlanders) die lange motor- of
landrover-reizen door Afrika maken, en het meer
gebruiken om bij te komen van alle beslommeringen. Het
is goed om te horen dat ieder van hen onderweg wel een
keer een mentale dip heeft gehad - en daar ook weer
van is hersteld. De een zag z'n route geblokkeerd door
politieke problemen in DR Congo, nummer twee brak haar
voet in de woestijn van Chad, en nummer drie werd
beroofd in Tanzania. Zelf ben ik inmiddels op een punt
in m'n gemoedscurve aanbeland dat ik me nagenoeg doof
en blind houd voor Malawianen. Ik rijd als het ware
rond met oogkleppen op en oordoppen in. Het voordeel
daarvan is dat ik me minder stoor aan alle gedoe. Het
nadeel is dat ik me tegelijkertijd afsluit voor
personen en zaken die me nog wel zouden kunnen
boeien, uit vrees dat er toch weer gezeur van komt.
Wat dan nog rest, valt met trucjes op te lossen. Als
kinderen blijven doorroepen, 5 of 10 keer "hawwarjoe!"
gillen, doe ik bijvoorbeeld net alsof ik een pistool
op hen richt. Hard "pang!" roepen werkt geweldig goed,
ze vallen direct stil. Wat ook helpt is de truc met de
drinkfles. Met duivels genoegen laat ik de grootste
"monnie"-schreeuwers naar me toe komen, en vraag dan
of ze echt "monnie" willen. Ja? "Dutch monnie?" Zo ja,
dan tracteer ik hen op een stevige spuit met m'n
bidon, liefst recht in het gezicht. Omstanders vinden
het heel humoristisch, ze lachen zich suf. Zelf zie ik
het niet als een grap, maar als een bitter-ernstige
methode om mentaal de dag door te komen. Ik zou willen
dat ik zonder kon.
Mzuzu/Rumphi/Livingstonia
-------------------------
Na circa 400 km kustweg langs Lake Malawi, soms op 30
km van het water, soms vlak langs het strand, klauter
ik bij Mzuzu weer het binnenland in. Iets voor Rumphi
verlaat ik het asfalt, en sla de zandweg naar
Livingstonia in. Livingstonia is een dorp rond een
verlaten missiepost, eind 19de eeuw gesticht door
zendelingen van de Free Church of Scotland.
Oorspronkelijk stond de post direct aan het meer, bij
Cape Maclear, en later op een andere locatie aan het
water, maar op beide plekken stierven de
missionarissen bij bosjes aan malaria. In 1894 besloot
men een derde poging te wagen, maar nu op een
bergplateau zo'n 600 meter boven het meer. Een plek
koud en droog genoeg om muggen het leven zuur te
maken, maar net niet dusdanig onherbergzaam dat het
missiewerk onmogelijk zou worden. Deze post bleek wel
succesvol. De nederzetting Livingstonia (vernoemd naar
ontdekkingsreiziger Livingston) groeide uit tot een
klein Schots dorp in het hart van Afrika, inclusief
Victoriaanse kerk met glas-in-lood-ramen, een lts, een
secondary school en een hospitaal dat ooit het
grootste was van midden-Afrika. Het is een
fascinerende plek, middenin een naaldbos, met
vervallen koloniale huizen met roestige daken die
klepperen in de wind, en houten veranda's die
uitkijken op het meer diep beneden. In het gezelschap
van Ariel, een Israelier, bezoek ik het plaatselijke
museum, een ruime kamer volgestouwd met foto's van de
eerste Britse zendelingen, de sextant en medicijnkist
van Livingston, brieven en vergeelde landkaarten. Een
rekening maakt in droge woorden de balans op van de
eerste (mislukte) missiepost. "Lasten: 5 Europese
graven; 5 jaarbudgetten (20-duizend pond); 5 jaar
zwoegen en lijden. Baten: 1 bekeerling; 1 verlaten
missie."
Ariel is een typisch exemplaar van het
soort Westerse
emigrant dat je wel vaker tegenkomt in Afrika: man van
middelbare leeftijd, ongetrouwd, intelligent, met een
onbestemd verlangen in de blik, en om de een of andere
reden niet senang in z'n geboorteland. Tot z'n
dertigste woonde hij nabij Tel Aviv, en maakte van
daaruit vakantietochten door Kenia en Tanzania. Nu
beheert hij een lodge aan het Malawi-meer, en leidt
daarnaast safari's voor westerse toeristen naar
natuurgebieden in de omgeving. Zijn motieven om Israel
achter zich te laten? "Israel is crowded, er is geen
ruimte. Er hangt altijd politieke spanning in de
lucht. Verder zijn er nauwelijks nog wilde dieren en
natuurgebieden. In Malawi kan ik doen wat ik 't
liefste doe - door ongerepte natuur trekken en
olifanten, hyena's en ander wild bekijken. En ik krijg
er nog voor betaald ook! Voor het ontbijt heb ik
vanochtend al drie vogelsoorten gespot die ik nog
nooit eerder heb gezien, in het bos hier achter. Waar
vind je dat in Israel?" Z'n ogen glanzen van opwinding
bij de gedachte.
Livingstonia/Karonga/Mbeya
--------------------------
Op woensdag 6 augustus daal ik via een steil rotspad
weer af van het Livingstonia-plateau, en vervolg de
asfaltweg langs het meer. Twee dagen later steek ik
bij Karonga de grens met Tanzania over, een procedure
die aan de Malawi-kant voor een passend afscheid
zorgt: gedoe. Uit mijn dagboek: "De Malawiaanse
douanier wil precies weten in welk Tanzaniaans hotel
ik vanavond slaap. De zin van zijn vraag ontgaat me,
maar okee. "Ik hoop ergens in Mbeya, maar dat zie ik
wel als ik er ben." "Ik wil een naam hebben." "Het
Mbeya Hilton." "Serieus, ik moet een naam invullen op
dit formulier. Pak je reisgids en kies een hotel!"
"Maar ik weet helemaal niet of ik vanavond in Mbeya
aankom. Misschien heb ik tegenwind, of zijn er veel
heuvels." "Onzin", zegt de douanier. "Als ik op reis
ga, plan ik al dagen van te voren de route, de
bustijden, de hotels waar ik overnacht etc. Ik wil
precies weten waar ik aan toe ben!" "Dat is mooi, maar
dat is wel UW manier van reizen. Ik plan niets, want
ik ben op de fiets. Als ik moe word, en Mbeya is nog
ver, dan vraag ik gewoon aan een boer of ik op zijn
land mag kamperen." En met het nodige theater:
"Meneer, er gaan weken voorbij dat ik helemaal niet in
hotels slaap, maar ergens in het bos, of in een dorp,
bij de chief. Van welk hotel wilt u dan de naam?"
Verbluft staakt de douanier zijn verzet, dit gaat z'n
begrip te boven."
Mbeya/Iringa
------------
Inmiddels verblijf ik in Iringa, zuid-Tanzania, een
bergstadje op 1700 meter hoogte, zo'n 500 km voorbij
de grens. Een ding is me inmiddels wel duidelijk:
Tanzania is een veel leuker en boeiender land om door
te reizen dan Malawi. De sfeer is in het algemeen
relaxter en gastvrijer, minder opgewonden, er wordt
meer gelachen en minder gejengeld. Als mzungu krijg je
de vrijheid om ongestoord over straat te lopen en (als
je dat wilt) inkopen te doen, en het is zelfs mogelijk
om van A naar B te fietsen zonder dat er iemand aan je
achterwiel kleeft. M'n liefde voor Afrika en het
plezier in de reis beginnen terug te komen. Sterker
nog, ik krijg (voorzichtig!) weer belangstelling voor
de Afrikanen, hun zorgen, interessen, grappigheden en
onhebbelijkheden - en niet alleen voor abstracte zaken
als het landschap of mijn prestaties op de fiets. De
oogkleppen en oordoppen zijn weg, en dat is een hele
opluchting.
Kwa heri ya kuonana!
Peter van de Beek
PS: het blijft leuk als jullie me
mailen, ook met
klein nieuws. Maar het is mogelijk dat er 2-4 weken
voorbijgaan voordat ik het bericht kan lezen. Omdat
de verbindingen vaak traag zijn, kan ik ook niet
elk mailtje beantwoorden. Laat je door dit alles niet
ontmoedigen! Ik heb namelijk wel het idee dat alle
e-post uit NL aankomt.
|
E-mail aan Avaghon -
9 september 2003
Dag Philip,
Hartelijk dank, het ziet er patent uit!
Eigenlijk een
zegen dat die verhalen op de Avaghon-site staan, want
om de een of andere reden ben ik de afgelopen weken
veel mailtjes kwijtgeraakt (Tanzaniaanse provider?
Virus? Probleem bij Yahoo?).
Ik zit nu in Moshi, N-Tanzania, aan de
voet van de
Kilimanjaro. De top heb ik overigens nog niet gezien,
wel vermoed, de zaak is namelijk de hele dag in
nevelen gehuld. Maar dat komt vast wel een keer goed
(ik blijf nog een paar dagen). Gisteren heb ik
trouwens al m'n materiaal (waaronder de fiets) onder
de douche gezet en afgesopt met Omo, want het was
werkelijk 1 grote stofkoek.
De afgelopen 2 weken ben ik vanuit
Iringa in
Z-Tanzania via Mtandika, Mikumi en Kilosa tot een
kruispunt op de grote weg 70 km ten oosten van Dodoma
gefietst, waar ik het asfalt vaarwel heb gezegd. Vanaf
Kongwa ben ik vervolgens in 6 dagen dwars over de Masai
steppe gefietst (cq gewandeld, gezeuld en gesleept), via
onverharde wegen. Sommige wegen waren vergelijkbaar
met een gravel-tennisbaan (fijn grind, maar hard
oppervlak), andere hadden verdacht veel weg van het
Scheveningse strand.
|
De route was
niet altijd
duidelijk, ik heb vaak de weg moeten vragen aan
herders, Masai-krijgers en andere mensen die geen
Engels spraken, maar meestal wel Kiswahili. Ik kan nu
vloeiend in Kiswahili "alsmaar rechtdoor?" zeggen, "is
dit de weg naar ...?", "waar is water?", en meer van
dat soort klemmende vragen.
Afijn, na zo'n 400-500 zware, maar wel indrukwekkend
mooie kilometers (uitgestrekt en leeg landschap, eenzame
in het rood gehulde Masai-herders, grote gastvrijheid
ondanks de schrijnende armoede) raakte ik vlak voor
Moshi weer asfalt aan. Ik kon het wel kussen!
Probleem is wel dat m'n knieen openliggen
na een stuk
of 6 valpartijen. Vooral m'n linkerknie ziet er niet
zo mooi uit, misschien moet ik er in Moshi even mee
naar de dokter. Voor de rest alles OK, mentaal, fysiek
en mechanisch, en ik kom nog steeds veel leuke mensen
tegen. Het worden er alsmaar meer, lijkt het wel...
Ik weet niet wanneer Op Pad die foto's
afdrukt,
eerlijk gezegd kan ik hun planning niet altijd volgen.
Wees niet verbaasd als ze het artikel een half of een
heel jaar opschuiven. Maar ooit drukken ze het af,
onder het motto "zij die geloven, haasten niet".
Hartelijke groet na welgeteld 9800
tamelijk
probleemloze fietskilometers, ook aan de rest,
Peter
|
Reisverslag nr 5
Moshi, Tanzania
Moshi,
Tanzania, 21 sept. 2003, totaal 9846 km.
------------------------------------------------------
Vrienden!
Vanuit een vochtig-warm Moshi (30
graden) stuur ik
hierbij het vijfde verslag van mijn fietsreis door
Afrika. Terwijl ik deze regels schrijf, kijk ik uit op
de Kilimanjaro, Afrika's hoogste berg. Ik zal 'm niet
beklimmen, daarvoor mis ik de knieen. Maar ook
vanuit een leunstoel op het balkon van m'n hotel, 5000
meter onder de top, is de Kili adembenemd.
Wat vooraf ging
---------------
Eind februari ben ik naar Zuid-Afrika gevlogen, met
fiets, tent, muskietennet en genoeg reservemateriaal
om 12 maanden te kunnen reizen in sub-Sahara Afrika.
Sinds m'n vertrek heb ik over de volle lengte van
Zuid-Afrika gefietst, door Lesotho, Botswana, Zambia
en Malawi, en de afgelopen 6 weken door Tanzania.
Tussen mei en augustus heb ik verslag gedaan van de
eerste 4 trajecten. Nu een samenvatting van de vijfde
etappe, Iringa-Moshi.
N.a.v. verslag 4
----------------
Voor ik begin aan dit verhaal, wil ik nog even
terugkomen op het vorige. Iemand schreef me dat ze de
trucjes met een 'pistool' en m'n drinkfles "walgelijk"
vond, respectloos ten opzichte van de "kinderen van
gastland Malawi". Ze raadde me aan om een lift naar
een ander land te nemen, als ik me niet kon aanpassen
aan de Malawiaanse cultuur. Ik begrijp haar reactie,
maar wil graag het volgende benadrukken. A) Die
trucjes heb ik alleen bij uitzondering toegepast. B)
Vaak ging het niet om jonge kinderen, maar om pubers.
C) Kinderen in Malawi zijn geen heiligen, sommigen
zijn vrij grof, althans tegenover een westerse
fietser. Ik ben 5 maal zonder aanleiding met stenen of
stukken hout bekogeld, of met een katapult beschoten.
Een keer zwaaide een jongen van een jaar of acht met
een kapmes langs mijn schouder (grap? verveling?). D)
Zelf ben ik helaas ook geen heilige. Ik schreef dat ik
deze trucjes niet als humor ervoer, maar als bittere
ernst, een "methode om mentaal de dag door te komen.
Ik zou willen dat ik zonder kon." En E) Ik heb nooit
boze reacties gehad op de trucjes. Volwassenen vonden
het vaak heel lachwekkend, of zagen het (naar mijn
idee) als het verdiende loon voor een kind dat wat al
te wild op die mzungu afstormde.
Iringa
------
Op maandag 18 augustus kom ik in Iringa aan, een
bergstadje op 1700 meter hoogte in zuid-Tanzania. Als
ik 's avonds zit te eten in Lulu's Cafe (chicken &
chips, een populaire combinatie in Tanzania), komt er
plotseling een blanke man binnen, die zonder aarzelen
tegenover me plaatsneemt. Hij stelt zich niet voor,
lijkt vermoeid, oogt verfomfaaid, alsof hij een zware
dag achter de rug heeft. Aan z'n accent hoor ik
onmiddellijk dat hij uit Nederland komt. We babbelen
wat over het leven in NL en in Afrika (hij woont er al
zo'n 30 jaar), en hoe langer we praten, hoe meer ik
denk: wat een aardige, boeiende, beetje zonderlinge
man. Het klikt dan ook direct tussen ons :-)
Han (want zo heet hij) is weer zo'n
exemplaar van het
soort westerse emigrant dat je wel vaker tegenkomt in
Afrika: man van middelbare leeftijd (Han is 58),
ongetrouwd, intelligent, met een onbestemd verlangen
in de blik, en om de een of andere reden niet gelukkig
in z'n geboorteland. Doch Han is wel een bijzonder
exemplaar. Laat ik proberen 'm te beschrijven. Uit
mijn reisdagboek: "Oorspronkelijk uit Enschede, maar
na de HTS uit NL vertrokken, eerst naar Paraguay,
vervolgens Afrika. Lang, mager, blond vlassig haar,
baardje, metalen bril, sober gekleed, sandalen. Hij
kan er bij lopen als een wat warrige Christusfiguur,
maar ook als een 'alles onder controle'-zakenman. Han
runt een eigen bedrijfje, een mobiele werkplaats in
een truck-met-bedstee waarmee hij auto's in de wijde
omgeving van Iringa onderhoudt, voornamelijk van
blanke
opdrachtgevers (consultants, medici, safari operators,
boeren). Kenmerk: westerse kwaliteit. Gelet op de
staat van de Tanzaniaanse wegen (veel kuilen en gaten)
en de werkwijze van locale monteurs (slordig, slecht
gereedschap), krijgt Han meer opdrachten dan hij
aankan. Na een half leven in Afrika (Zambia, Rwanda,
Uganda, Congo, Somalie, Sudan, Tanzania) is Han danig
verafrikaniseerd. Hij spreekt vloeiend Kiswahili, is
spontaan en hartelijk, kwebbelt vrolijk met alles en
iedereen, werkt hard, maar hij ziet ook de waarde van
tijdig uitrusten en 'n beetje aanlummelen."
Ik trek bijna een week met hem op. Een
dag hobbelen we
in zijn truck naar een oude Britse boer in de bush.
Een andere dag bezoeken we Tony, een blanke
overheidsconsultant met een villa in de stad. We zien
elkaar 's ochtends en 's avonds, we lunchen elke dag
samen in het keukentje van mama Neema, Han's zwarte
kokkin, en ondertussen bespreken we De Toestand In De
Wereld, mopperend gelijk de oude mannen uit de
Muppetshow. Han is meestal aan het woord, met een
sterk verhaal of een scherpe observatie, gedrenkt in
scepsis, spot en ironie. Het komt er doorgaans op neer
dat het effect van ontwikkelingshulp twijfelachtig is,
Nederland verbureaucratiseert en in zichzelf gekeerd
raakt, Afrikanen graag praten en grootse plannen
maken, maar nauwelijks nadenken, waarna de zaak
hopeloos verzandt - maar ja, wat doe je eraan?
Tussen al z'n ironische verhalen over
Afrika schemert
tegelijkertijd een grote liefde door voor het zwarte
continent, of Han het nou wil of niet. Dat is, om het
dramatisch te zeggen, misschien wel het tragische van
een lang verblijf in Afrika: wanneer je niet tijdig
wegvlucht, ga je er intens van houden. Afrika is
zwart/wit, er zijn geen tussentonen. Als het regent,
valt de stroom uit. Als het niet regent, heersen
droogte en ondervoeding. Afrika's kleuren, warme
menselijkheid, gastvrijheid en prachtige landschappen
doen je de adem in de keel stokken - maar dat geldt
ook voor het vuil, het lawaai, de luiheid, de grofheid
en de corruptie. Je haat het, je houdt ervan, beide
emoties vechten voortdurend om voorrang. Vaak wint de
liefde, met een eervolle tweede prijs voor de afkeer.
Is er dan nog een weg terug naar het vlakke, grijze
Nederland? Han: "Ik ga nog elk jaar een paar weken
terug, vrienden en familie bezoeken. Maar ik zou niet
meer in Nederland kunnen leven."
Iringa-Mikumi-Kilosa-Magole-Mbande
----------------------------------
Op maandag 25 augustus, dag 178, neem ik afscheid van
Han. Ik vind het jammer om hem achter te laten, maar
als ik niet uitkijk schiet ik wortel in Iringa. Ik
daal af uit het stadje, en peddel over groene,
rollende heuvels naar het oosten, richting Dar es
Salaam. Hoewel er slechts weinig verkeer is, houd ik
m'n spiegel scherp in de gaten, want de bussen en
dala-dala's naar Dar hebben nogal haast. Dala-dala's
en bussen zijn meer dan transportmiddelen: het zijn
rijdende schilderijen, Tanzania's bijdrage aan de
wereldcultuur. Dala-dala's zijn walmende
Nissan-minibusjes, meestal bont beschilderd, met een
driekoppige bemanning: een chauffeur die peppillen
slikt om z'n slaaptekort te compenseren, een
conducteur die over het geld gaat, en een hulp die
half uit het busje hangt en met veel verbaal geweld
passagiers tracht te werven. Dala-dala's dragen vaak
namen, zoals "Public Enemy", "Undertaker", "Get In &
Die", of "You Die Like The Rest". En daar zit wat in,
want de overvolle busjes (20-25 passagiers) rijden
altijd snoeihard, hoe druk het ook is. Dagelijks staat
er wel een verhaal in de krant over een road-smash
waarin een of meer dala-dala's figureren, soms met 10
of meer doden. Bussen zijn even bont uitgedost, met
teksten als "God Have Mercy On Us" of "Allah Is
Great", en staan bekend als veiliger dan dala-dala's.
Maar ook bussen rijden zonder uitzondering 100 tot
120 km/u, voor de zekerheid 't liefst midden op de
weg. Moslimbussen (de oostkant van Tanzania is
islamitisch) zijn het ergst, die lijken totaal
onverschillig te staan tegenover een vroegtijdige
ontmoeting met hun Schepper. Alsof de chauffeur bij
het opstaan dacht: vandaag wil ik martelaar worden!
Na 70 kilometer en evenzovele bussen
volgt een lange,
steile afdaling van de relatief koele hoogvlakte van
centraal-Tanzania naar een warme vallei. Het is
moordend heet in de middagzon, de zon blikkert recht
boven het asfalt, en de bomen staan te ver van
de weg om koelte te kunnen geven. Ik kruip onder een
afdakje om te lunchen en naar de BBC te
luisteren, expres teutend, in de hoop dat de ergste
warmte dan voorbij is. Na 2 uur wachten pak ik weer
op. Allemachtig, wat is het nog heet. En waarom moet
er nu ook nog een stevige wind opsteken, recht in m'n
gezicht? Uit mijn reisjournaal: "Per kilometer wordt
het moeilijker. Ik heb dorst, maar ik heb nog minder
dan 1 liter water. Om de paar kilometer van de fiets
om te drinken en te rusten. Elke heuvel kost me grote
inspanning. De laatste, niet meer dan een flauwe bult,
moet ik zelfs lopend op. Suf, moe, buiten adem, snelle
pols, af en toe kramp. Ik voel me slap, denk aan een
lift, maar het is nog maar een paar kilometer tot het
huis van father Michael, een vriend van Han. Bij km
94, 100 en 102 afgestapt, zitten, uithijgen, m'n water
is inmiddels op.
|
Bij km 104
eindelijk het beloofde
kruis naast de weg, de afslag naar father Michael's
mission compound. Ik rijd het zandpad af, door een
woud van baobabs, en bereik een binnenplaats met een
school, een kerk en een paar huizen. Father Michael is
er niet, begrijp ik van de kokkinnen, maar dat kan me
niet schelen, zolang ik maar ergens in de schaduw kan
zitten. "Ik ben een vriend van Han, uit Holland",
stamel ik in m'n beste Kiswahili. "Ik ben moe, ziek.
Breng me thee, alsjeblieft, nu!" Geschrokken rennen de
kokkinnen naar de keuken, om vrijwel direct terug te
keren met een enorme thermosfles en een schaal brood.
Ik zak op de grond, drink de thermosfles leeg, en
vecht twee uur tegen duizeligheid, koud zweet en
venijnige krampaanvallen in m'n benen. Halverwege de
avond, ik lig al op bed, wordt er ineens op de deur
geklopt. Ik doe open, en zie bij het licht van een
stormlantaarn een kleine, gezette, donkerbruine man
van eind dertig voor m'n huisje staan. "Are you Peter,
the friend of Han?", zegt de man. "Karibu sana,
welcome! Are you still sick? Good, then let's have
dinner!" En zo zit ik even later tegenover een luid
smakkende, allerhartelijkste RK priester met een
bulderende lach, die me drie keer opschept, Fanta's en
bier inschenkt, en ondertussen informeert naar m'n
gezondheid. "Jaja! Dit is een droog en warm gebied!
Voor je het weet, ben je uitgedroogd, zeker op de
fiets, hahaha. Veel drinken hoor! Voel je je al
wat beter?"
Masai-steppe
------------
In de week na m'n onfortuinlijke kennismaking met de
zon rond de evenaar, fiets ik via Mikumu, Kilosa en
Magole naar het noorden, en van daar richting Dodoma,
terug naar de relatief koele hoogvlakte. Bij Mbande,
80 km oostelijk van Dodoma, verlaat ik het asfalt, en
sla een zandweg in die over de Masai-steppe leidt.
Eigenlijk heb ik geen idee wat die steppe me zal
brengen. Zijn er voldoende plekken met water en
voedsel? Leven er gevaarlijke wilde dieren? Is het er
koud of warm? Zijn de onverharde wegen goed (gravel)
of slecht (mul zand)? Geen idee, op m'n kaarten is het
gebied een grote witte vlek van 400 x 400 km, en ook
de reisgids zwijgt in alle talen. Het enige dat ik
weet, is dat het zo'n 5-7 dagen fietsen tot Moshi is,
met dagelijks twee of meer dorpen. Maar ja, die naam,
die intrigeert me. Ik moet en zal de steppe over,
weten wat er schuilgaat achter die witte vlek.
Voor m'n vertrek uit Mbande vraag ik aan
de hotelbaas
naar de dorpjes die ik de eerste dag zal tegenkomen.
"Sejeli, Msunjilile, Mkoka, Zoisa en Dosidosi. In
Dosidosi is een guesthouse, geloof ik. Maar de goede
weg is niet altijd duidelijk, als je 't niet weet. Er
zijn veel splitsingen, en er staan nergens bordjes.
Wacht, ik geef je een briefje in het Kiswahili mee.
'Barabara ya ##, ipo wapi? De weg naar ##, waar is
die?' Houd dat maar bij de hand." Met de magische
formule op m'n stuur geplakt, begeef ik me op weg. Uit
m'n reisjournaal: "Veel kleine wegen, soms niet meer
dan smalle, kronkelende sporen, langs dorpen van
slechts een paar huizen; 5, 10 of 20 kleihutten met
rieten daken. Kleine kinderen rennen van schrik
weg als er ineens een blanke op het erf staat, peuters
beginnen te huilen - kennelijk nog nooit een mzungu
gezien. Bij km 48 ga ik hard onderuit, op een plek
waar gravel plotseling overgaat in mul zand. Een
gevoel alsof je aan het ski-en bent, en de sneeuw
houdt zomaar op. Grote schaafwond op m'n linkerknie.
Bij km 53 weer een val, en later op de dag ga ik nog
twee keer onderuit. Onderweg probeer ik de
schaafwonden zo goed mogelijk te verzorgen, maar
middenin een verlaten zandvlakte valt dat niet mee.
Gehannes met een washandje en mineraalwater, jodium en
daarna pleisters erop, die na 10 minuten alweer
loslaten. Tussenbalans na 1 dag Masai-steppe: 1
kapotte spiegel, 1 geschaafde elleboog, beide knieen
open. 's Avonds een eenvoudig guesthouse, niet meer
dan een bed en een olielamp in een kaal cementen
kamertje van 3 x 3 meter. Met een emmer water en een
schepbekertje was ik me in een bafu (badhokje) met
uitzicht op een koolzwarte sterrenhemel.
Wonderbaarlijk hoe weinig water je nodig hebt als er
ook maar weinig beschikbaar is. Met een liter of 7
was ik het roestrode stof uit m'n haar en van m'n
huid, en zie er weer uit zoals het hoort, als een
lichtbruine mzungu."
Via Kibaya, een districtshoofdstadje met
restaurants,
een benzinepomp en een heuse winkelstraat, rijd ik op
de derde dag naar Ndedo. Om half acht 's ochtends
passeer ik een secondary school die op zo'n 2 km van
de gravelweg tegen een berg is gebouwd. De school
loopt vol, het vrolijke gesnater van de tieners kaatst
tegen de bergwand en drijft als een woordenwolk naar
me toe. Ik voel me gelukkig; dit is een van de mooiste
geluiden van Afrika, het naar school gaan in het
eerste uur van de dag. Uit m'n reisjournaal:
"Heuvelig, maar het gravel is goed, zodat ik hard
door kan rijden. Af en toe gezelschap van jongens en
mannen op locale 28-inch Phoenix-fietsen, een oud
Brits model, die verbazingwekkend soepel door het zand
en om de kuilen fietsen. Grote lege stukken. Na km 20
kom ik zelfs geen enkel dorp meer tegen, en slechts
sporadisch een fietser of een Masai-herder. Bij km 76
in Ndedo, een Masai-dorp van twee bakstenen
winkeltjes, een lutherse missiepost en pakweg 40
leemhutten in een winderige vlakte. Zover het oog
reikt is er geen ander dorp te zien, geen radiotoren,
telefoonpaal of hoogspanningsmast. Geen asfalt, geen
auto, geen reclamebord of elektrisch licht. Dit is
echt ver weg van de wereld van de 21-ste eeuw. Het
enige dat de omgeving toont zijn baobab-bomen, her en
der een rode Masai-krijger, en kuddes koeien met een
rood vlekje erachter in een grote wolk stof. Ndedo
heeft geen guesthouse, maar ik mag slapen in het
missiehuis. Om mijn welzijn te garanderen krijg ik een
Masai-krijger mee, Samuel (24), die in de kamer naast
me slaapt en me tot het ochtendlicht bewaakt."
Met hun fotogenieke uiterlijk (lang,
elegant gebouwd,
veel sieraden, bloedrode omslagdoek) zijn de Masai
waarschijnlijk de enige stam in Tanzania (en Kenia)
die ook buiten Oost-Afrika bekendheid geniet. Masai
zijn nomadische herders van koeien, schapen en geiten
die zich altijd succesvol hebben verzet tegen de
moderne tijd, en anno 2003 dan ook min of meer
dezelfde levensstijl hebben als 1000 jaar geleden,
toen de stam uit Sudan naar het zuiden migreerde. In
de Masai-cultuur draait alles om het vee. Dat zorgt
niet alleen voor vlees, melk en bloed (als drank),
maar ook voor huiden (kleding en dekens). Vee wordt
daarnaast gebruikt als betaalmiddel, bijvoorbeeld om
een conflict te schikken of een bruid te kopen, en
geldt in het algemeen als een symbool voor de status
van de familie (hoe vetter hoe beter, en liefst een
zo groot mogelijke kudde). De Masai hebben de
reputatie een trots en onverschrokken volk te zijn,
dat geen angst kent voor de wilde dieren waarmee ze
hun leefgebied delen.
In Tanzania hebben ze echter nog een
tweede imago.
Veel gewone Tanzanianen zien de Masai als een
dom en conservatief volk, dat zich agressief
opstelt tegenover elke vreemdeling die hun territorium
betreedt. Maar daar merk ik weinig van. Integendeel,
in de week die ik nodig heb om de steppe te
doorkruisen, kom ik alleen maar hartelijke, lieve,
uiterst gastvrije mensen tegen. Oude mannen en
vrouwen, die verbaasd-zwijgend hun hand opsteken,
giechelende meiden, meestal rond een waterput, en druk
pratende morani (jonge mannen) die met kinderlijk
enthousiasme hun vee in de steek laten om een praatje
te kunnen maken. Dat gaat als volgt. De morani komen
over de steppe op me af rennen, planten hun speer in
de berm, schikken wat aan hun haar en hun oorbellen,
en leunen vervolgens ontspannen achterover, met een
bil tegen de stok. Er ontspint zich een gesprekje,
maar na een minuut of wat stokt dat, wanneer een van
de morani mijn pols pakt. Daar zit immers een
Hema-sporthorloge van 13,95 euro. Okee, de wijzerplaat
is gebarsten, het bandje gescheurd en de kast gedeukt,
maar het is wel rood! En dat telt voor een
Masai-moran, van top tot teen gek op rood, maar
doorgaans zonder klokje. Volledig gebiologeerd staren
ze naar het uurwerk. "Please, mzungu, give me your
watch!" "I am sorry, moran, but I need it myself."
"Why?" "To know what time it is, I suppose."
Moshi
-----
Na een week fietsen, door mul zand sjouwen,
fietsen, bijna vallen, banden plakken (doornen), de
weg vragen, en weer fietsen, bereik ik op 7 september
Moshi, aan de voet van de Kilimanjaro. Om mezelf te
tracteren neem ik een kamer in een goed hotel. Ditmaal
geen guesthouse in de prijsklasse 2-3 dollar met
bijbehorend comfort (geen elektriciteit, geen stromend
water, dunne muren). Maar een echt hotel, met douche,
fan en muskietennet, koele lakens, en een tv die het
zowaar doet en zelfs de BBC weergeeft. Ik plant me in
een stoel op het balkon, geniet van het uitzicht over
de stad en de besneeuwde berg, en besluit een periode
niet te fietsen. M'n lichaam en geest zijn moe, de
batterij begint leeg te raken. De schaafplekken op m'n
knieen en ellebogen zijn bovendien flink ontstoken,
een cadeautje van vies en vochtig-warm Afrika. Het is
beter om hier, in Moshi, 1 of 2 weken uit te rusten en
de wonden te laten genezen, dan door te rijden naar
het volgende primitieve plattelandsguesthouse. Ik word
af en toe wat chagrijnig van de gedwongen rust, maar
hee, wat zal ik klagen? De zon schijnt, en het leven
is goed.
Sih-day,
Peter van de Beek
PS: voorgaande reisverslagen zijn terug
te lezen
op de site van fietsenbouwer Avaghon, zie
www.avaghon.nl of www.avaghon.nl/AvaghonErv.htm
|
Reisverslag nr 6
Moshi, Tanzania
Kampala, Uganda, 31 okt 2003, totaal
11.347 km
------------------------------------------------------
Vrienden!
Vanuit een nat en broeierig Kampala (25
graden) stuur
ik hierbij het zesde verslag van mijn fietsreis door
Afrika. Terwijl ik dit schrijf, zit ik voor m'n tent
onder een hoge magnoliaboom, die af en toe met een
'plop' een knop op het doek laat vallen. Het is stil,
de vogels laten zich nauwelijks horen, mens en dier
komen bij van de tropische regenbui die vannacht over
de camping spoelde.
Wat vooraf ging
---------------
Eind februari ben ik naar Johannesburg (Z-Afrika)
gevlogen, met fiets, tent, muskietennet en genoeg
reservemateriaal om 12 maanden te kunnen reizen in
sub-Sahara Afrika. Het plan was om in circa 7 maanden
van Kaapstad naar Nairobi (Kenia) te fietsen. Dat is
gelukt, zonder zware ziektes en bijtende beesten. Ik
denk er nu over nog enkele maanden door te fietsen via
Uganda, Ethiopie, Sudan en Egypte. Maar eerst een
samenvatting van de zesde etappe, Moshi-Kampala.
Moshi-Serengeti/Ngorongoro/Tarangire vv.
---------------------------------------
Half september verlaat ik Moshi (Tanzania), in het
gezelschap van driver Temba, kok Tunzo en een stel
Duitsers. Niet per fiets, maar in een bejaarde
Landrover vol eten en flessen water. Om mijn knieen
(nog steeds ontstoken) en de rest van m'n lichaam
(moe) vrijaf te geven, heb ik besloten om een paar
dagen het leven van een normale toerist te leiden, en
een safari te doen. "Safari" betekent niets anders dan
"reis" in het Swahili. Aan nieuwsgierige zwarten
vertel ik dan ook dagelijks dat ik een "safari kwa
baiskeli" maak, een reis op de fiets. Maar voor de
meeste westerse bezoekers heeft het woord een diepere
betekenis, die van een tocht door een nationaal park,
op zoek naar wildlife in klassieke Oost-Afrikaanse
landschappen als de savannes van de Serengeti.
In de tal van de Masai-herders staat het
woord
"siringet" voor "eindeloze vlakten", en dat is een
treffende omschrijving voor het landschap waar we onze
reis beginnen. De wegen zijn slecht, veel stof en
diepe kuilen. De Duitsers klagen over de auto, die
inderdaad 4 keer uit elkaar moet voor problemen met de
versnellingsbak. Temba heeft een ochtendhumeur en
Tunzo de kok is traag, hij doet een half uur over het
bereiden van een kop thee. Maar dat kan me allemaal
weinig schelen, ik kom tot rust. Vijf dagen laat ik de
wereld aan m'n raampje voorbijtrekken, en geniet
intussen van de buffalo's, de gazellen, de zebra's, de
gnoes, de bonte vogels, de giraffen, de gele vlakten
van de Serengeti, de woeste, groene hellingen van de
Ngorongoro-vulkaankrater en de baobab-bomen in het
Tarangire NP. 's Nachts huilen de hyena's en brommen
de leeuwen rond het kamp. Bij het licht van de maan
zie ik op twintig passen afstand hoe een olifant een
tak van een boom scheurt. Maar het meest dierlijke
geluid wordt voortgebracht door een Belg verderop in
het kamp, die zo onverstandig is geweest om z'n
voedselvoorraad in z'n tent te bewaren. Op een nacht
krijgt hij bezoek van drie warthogs (wilde zwijnen),
die zijn tent binnendringen en alle voedsel
oppeuzelen. De Belg brult het uit van schrik en van
woede. En passant hebben de beesten namelijk ook z'n
dure Nokia verslonden, zo'n mobieltje met mini-camera.
Moshi-Nairobi
-------------
Op 22 september verlaat ik Moshi opnieuw, maar nu per
fiets. Bij Arusha sla ik af naar het zuidwesten, en
niet richting Nairobi. Ik wil proberen via een omweg
over onverharde wegen naar de Keniaanse grens te
rijden, langs de Ol Doinyo Lengai (2886 m), Tanzania's
enige nog actieve vulkaan. De "Berg van God" ligt
halverwege de Great Rift Valley, de 6000 km lange
vallei die als een groot litteken over het gezicht van
Afrika loopt, van de Dode Zee in Jordanie tot
Mozambique in het zuidoosten. De laatse eruptie van de
Ol Doinyo vond plaats in 1993, sindsdien bubbelt de
berg onophoudelijk een beetje lava, als een kwijlende
reus. Bij Mto Wa Mbu ("Muskietenrivier") verlaat ik de
asfaltweg, en rijd via een gravelweg de Rift Valley
in. Het landschap is van een dramatische schoonheid:
een brede, glooiende, gele grasvlakte met lage
acacia's, groepjes lemen hutten, en hier en daar een
rood vlekje van een Masai-herder achter een kudde
koeien. Tegen de achtergrond ligt een bergwand die
zomaar, uit het niets, een meter of 400 oprijst en de
rand van de vallei vormt. Een fantastisch gezicht, en
het mooiste, de vulkaan, moet nog komen! Toch draai ik
al na 25 km om. Hoe dichter ik in de buurt van de Ol
Doinyo kom, hoe meer de weg verandert in een
luchtige pudding van vulkaanstof met een harde
bovenlaag. M'n wielen zakken een decimeter door de
knisperende korst, en wat daaronder zit is telkens
weer een verrassing - een kuil, een ribbel, een steen,
gladde vulkaanas, van alles. Na twee uur ploeteren
geef ik de moed op en keer terug naar Mto Wa Mbu,
grijs van de as. De volgende morgen zet ik koers naar
Nairobi via de hoofdweg Arusha-Namanga-Kajiado.
Gelukkig is er weinig autoverkeer.
Op 2 oktober bereik ik Nairobi, de
hoofdstad van
Kenia. Als we de plaatselijke VVV mogen geloven een
"city in the sun". Cynici spreken eerder van de "city
in the slums", gelet op de kraag van krottenwijken
rond het moderne zakencentrum. Een eeuw geleden werd
de stad min of meer bij toeval gesticht door Britse
ingenieurs die een spoorlijn aanlegden tussen de
Indische Oceaan en Lake Victoria. Om de tijd te doden
(men moest wachten op nieuwe voorraden) timmerden ze
een houten huttenkamp in elkaar en noemden dat
"Nyarobe", naar het Masai-woord voor "koud" (Nairobi
ligt op 1870 m). De stad straalt nog steeds een
bepaalde ongeplandheid uit - officieel wonen er 2
miljoen mensen, maar schattingen die ook rekening
houden met alle illegale bouwsels in en om het centrum
komen uit op 3 miljoen.
Nairobi heeft twee gezichten. Dat van
een moderne,
efficiente, bijna westerse metropool, een van de
weinige plekken in Oost-Afrika met casino's en
cappuccino-cafe's, een kathedraal, goed gesorteerde
boekwinkels, en fotozaken waar je kans maakt op een
deskundige reparatie aan je camera (m'n spiegelreflex
hapert). Het andere gezicht is dat van een lelijke,
stinkende, gewelddadige stad van hele en halve
sloebers, hoeren, zakkenrollers, een trefpunt voor de
creme de la crime. In Nairobi is het niet ongewoon om
zakenmannen in overhemd een dief te zien
aftuigen. Uit m'n reisjournaal: "Ik loop door het
business district, en hoor ineens een vrouw in een
rood mantelpakje een kreet slaken, waarschijnlijk
"dief!" in het Swahili. Een jongen in een gerafeld
T-shirt rent weg, maar wordt snel ingehaald door een
groepje zakenmannen. De mannen beginnen op hem in te
hakken. Ongecontroleerde trappen in de buik, klappen
in de nek, vuistslagen in het gezicht. De menigte
zwelt aan tot zeker honderd mensen, de jongen ligt op
straat in een plas bloed, de mannen blijven trappen en
slaan zolang hij nog beweegt. De menigte joelt, bussen
rijden met een boog om het schouwspel heen. Het enige
wat nog ontbreekt is een politieagent die de halfdode
verdachte arresteert, of ter plekke de kogel geeft.
|
Want dat komt
voor, lees de kranten er maar op na.
"Agent executeert tasjesrover", "Menigte slaat veedief
dood", "Dorp stenigt dieven om een beddesprei en een
tv". Wat de Daily Nation nooit vermeldt, is wat er
daarna met de lynchers gebeurt. Worden die vervolgd?
Zo ja, wat voor straffen krijgen ze dan? Hoog? Laag?
Een celstraf? Of 100 uur dienstverlening? En helpt 't
eigenlijk, die rule of the mob? Is Nairobi
bijvoorbeeld een veiliger omgeving dan Amsterdam?
Nairobi-Naivasha-Nakuru-Kericho
-------------------------------
Zodra ik m'n boodschappenlijstje heb afgewerkt verlaat
ik Nairobi, voorzien van nieuwe kleding, verse boeken,
westers eten (bruin brood!), een visum voor Uganda, en
een camera die nog immer stottert. Het miezert, de
lucht is donker, volgens de krant begint deze week de
korte regentijd. Ik volg dezelfde route die ik in 1997
aflegde met G., m'n toenmalige liefde: door de
verlaten Kedong-vallei, langs Lake Naivasha, een
overnachting in Gilgil en een rustdag in Nakuru. Ik
herken de plekken waar we zes jaar geleden
langskwamen, de rozenkwekerijen bij het meer
(uitgebreid), een eucalyptus en een cactusboom die nog
steeds in elkaar zijn verstrengeld, hotel "Silent
Lodge" in Gilgil (altijd lawaai), de grauwe binnenstad
van Nakuru, waar de zwervers 's nachts in rijen op de
stoep liggen. Als ik denk aan wat er in die zes jaar
allemaal is veranderd, voel ik me eenzaam en
melancholiek. Uit elkaar, andere banen, nieuwe
partners, verhuizingen, zieke ouders, een kind, een
complete cycle of life. Ik troost me met de gedachte
dat G. en ik nog steeds vriendschappelijk contact
hebben, stiekem fietst ze deze etappe met me mee.
Bij Nakuru laat ik G. in gedachten los,
en trap in een
lage versnelling het Mau Escarpment op, weer een
bergwand die deel uitmaakt van de Great Rift Valley.
Ik rijd door een lieflijk gebied dat veel weg heeft
van de Ardennen - naaldbomen, houtzagerijen, bonte
koeien, bloemen in golvende weiden. Voorbij de Mau
Summit (2200 m) daalt de weg langzaam af, en voert bij
Kericho langs uitgestrekte theeplantages. Na India en
Sri Lanka is Kenia de derde theeproducent ter wereld,
met Kericho als centrum. Hier heerst orde, Engelse
orde uit de koloniale tijd, in scherp contrast tot de
gebruikelijke halve chaos. Zover het oog reikt zie ik
heldergroene struiken in nette rijen, met de
nagelschaar geknipt, en honderden zwarte plukkers in
gele schorten die tot hun middenrif tussen de
theeblaadjes staan. Ze zwaaien vrolijk naar me. Als ik
stop om een foto te maken, komt Gideon me een hand
geven. Gideon is 30 jaar, lang en krachtig gebouwd,
maar net zo verlegen en zachtmoedig als veel andere
Afrikanen. De afgelopen 7 jaar heeft hij thee geplukt,
vertelt hij, daarvoor was hij werkloos. "Thee plukken
is een zware baan. Altijd in de zon, de hele dag
staan, en 's avonds heb ik rugpijn van het sjouwen.
Maar ik heb tenminste werk. Mag ik vragen waar je
vandaan komt? "Uit Holland, in Europa." "Is dat ver
weg, meer dan drie dagen fietsen?" "O ja, misschien
wel een jaar." "Wat! Een jaar fietsen? Dat is ver! Ik
wil graag in Europa werken. Denk je dat er in Holland
ook theeplantages zijn?" "Ik ben bang dat 't daarvoor
te koud is, over een maand valt de eerste sneeuw."
Zoals alle Afrikanen gruwt Gideon bij de gedachte aan
temperaturen onder de 15-20 graden, en ik plaag ze
graag met verhalen over kou. "Sneeuw! Ijs! Hoeveel
kleren moet je daar wel niet aan? Kun je zonder trui
slapen?" "Ja, dat lukt nog wel. Maar als ik naar m'n
werk fiets, heb ik altijd een dikke jas aan,
handschoenen en een muts." "Aagghh, terrible!"
Kisumu
------
Half oktober bereik ik Kisumu, aan het Victoria-meer,
Kenia's derde stad. Ook hier ben ik eerder met G.
geweest. De stad is niet veranderd, het is nog steeds
dezelfde treurige mix van vergane huizen met
schimmelplekken, muskieten, werkloze zwarten en rijke
Indiase handelaars, nazaten van de arbeiders die een
eeuw geleden door de Britten werden ingevoerd om het
handwerk aan de spoorlijn te doen. En net als zes jaar
terug is de stad nog steeds vol straatkinderen in
vuile vodden, met grote ogen van de dope. Vrijwel
allemaal snuiven ze lijm uit een flesje. Het schijnt
dat je hersens er geleidelijk van wegsmelten, wat hun
agressieve bedelgedrag verklaart.
Om meer te weten over hun achtergrond,
bezoek ik een
tehuis net buiten Kisumu met 166 straatkinderen en
wezen. Het is een ruime, lichte compound met schone
slaapzalen, een aula, goed geoutilleerde klaslokalen
en woonhuizen voor de staf. De meeste gebouwen dragen
teksten op de muren als "The Lord is my Shepherd" en
"We are judged by how we finish, not by how we start."
Ik krijg een rondleiding door David Nyongesa, de
adjunct-directeur. Terwijl we over de compound lopen,
vertelt David over zijn bewoners. De jongste is 2, de
oudste 23. Vrijwel allemaal zijn ze ooit ergens door
hun ouders gedumpt, in een kapsalon, een openbaar
toilet of een vuilnisbak. Ziek, ondervoed, soms met
een briefje met hun naam erop. "Incredible stories",
aldus David. "We vermoeden dat veel ouders van het
kind af wilden omdat ze zelf ziek waren, of te arm om
het te onderhouden. Aids speelt een grote rol, circa
20 procent van de sexueel actieve volwassenen in deze
regio is besmet. Zelfs in verder normale
gezinssituaties komt het voor dat kinderen door hun
grootouders worden opgevoed, of door twee
seropositieve ouders."
Wat in dat verband niet helpt, is de
macht der
gewoonte. Afrika is een conservatief continent, vol
tradities en gebruiken die niet snel veranderen. Ook
niet als ze anno 2003 verwoestend uitpakken. Het is
bijvoorbeeld een goede gewoonte, vertelt David, dat
een broer van een overleden man met de weduwe trouwt,
om haar toekomst veilig te stellen. Het doet er weinig
toe of die broer al getrouwd is, polygamie is immers
een andere eeuwenoude traditie. David: "Maar aids
krijgt zo natuurlijk de kans om zich als een bosbrand
te verspreiden. Veel mensen begrijpen dat blijkbaar
niet, of accepteren het als een fact of life."
Ondanks de somber stemmende verhalen en
de alarmerende
cijfers verlaat ik het tehuis met een prettig gevoel.
De kinderen lopen er speels en vrolijk bij, goed
gevoed en in schone kleren. Ze krijgen dagelijks
onderwijs van professionele en gemotiveerde leraren,
in Kenia iets bijzonders. In een zee van onmacht en
onverschilligheid vormt het huis een eiland van
aandacht.
Kisumu-Kampala
--------------
Op 16 oktober, 230 dagen na m'n eerste fietsdag, kruis
ik om half elf 's ochtends de evenaar. Er staat geen
bord. Maar als ik m'n kaarten goed begrijp, moet ik nu
op het noordelijk halfrond zijn. Ik feest mezelf op
een fanta en een mandazi, een soort oliebol. Vanaf nu
moet ik er bij het navigeren weer rekening mee houden
dat de zon om 12.00 uur in het zuiden staat, en niet
in het noorden. Twee dagen later passeer ik een andere
grens, die met Uganda.
Inmiddels verblijf ik al een week in
Kampala, de
hoofdstad, sleutelend aan m'n fiets en wachtend op een
pakket uit Nederland met een nieuwe cameralens. De zon
schijnt, de vogels fluiten, er hangt een waas van
waterdamp boven de stad. Aan het eind van de middag
volgt een nieuwe, klaterende regenbui, zoveel is
zeker.
Kwaheri,
Peter van de Beek
|
Reisverslag nr 7
Arba Minch, ZW-Ethiopië
Arba Minch, ZW-Ethiopie, 22 dec 2003,
totaal 12.714 km
------------------------------------------------------
[verstuurd vanuit Addis Abeba op 30/12]
Vrienden!
Vanuit een droog en warm Arba Minch (32
graden) stuur
ik hierbij het zevende verslag van mijn fietsreis door
Afrika. Het is lang geleden dat ik iets van me kon
laten horen, zo'n 50 dagen. Het waren, om in Bijbelse
woorden te spreken, zeven weken die zowel vet als
mager waren. In modern Nederlands: het waren Goede
Tijden, maar ook Slechte.
Wat vooraf ging
---------------
In mijn vorige verslag (zie www.avaghon.nl en
www.avaghon.nl/AvaghonPetervandeBeek.htm) schreef ik
dat ik zojuist in Kampala (Uganda) was aangekomen, na
een etappe via Kenia. In Kampala moet ik wachten op
een pakket uit NL met een nieuwe cameralens; het
oorspronkelijke exemplaar is bezweken aan stof en
trillingen.
Kampala (1)
-----------
Op zaterdag 25 oktober, tijdens een bezoek aan Posta
Uganda, kom ik een jonge man tegen die me herkent als
"die mzungu op de fiets met tassen". Zelf houdt hij
ook van fietsen, vertelt Dan Miiro (26). Hij is
amateur-wielrenner op nationaal niveau, en morgen
start hij in een koers tussen Kawempe en Luwero,
dorpen ten noorden van Kampala. "Heb je zin om te
komen kijken?", vraagt Dan verlegen. "Ik kan wel iets
regelen met een materiaalwagen." En zo gaat de
volgende ochtend een klassieke jongensdroom in
vervulling (meerijden in een volgauto van de Tour de
France), zij het dat deze koers wat anders verloopt
dan de gemiddelde Touretappe.
Het is een bont gezelschap dat zich om
8.30 uur aan de
start verzamelt. Op de voorste rij staan gesponsorde
renners met modern materiaal. Zoals ene David, de
Ugandese kampioen, a la Lance Armstrong voorzien van
oordopje, een aluminium Trek en een aerodynamisch
lycra setje in de kleuren van de Amerikaanse vlag. De
meeste andere renners moeten het echter doen met
wielerkleding uit de Zak van Max en een Peugeot uit de
jaren '70. Mijn vriend Dan heeft een tien jaar oude
Bianchi, roze schoenen en een gifgele combinatie die
hem ter beschikking is gesteld door Sleeping Baby, een
bekende fabrikant van toiletartikelen [Dan is
overigens vrij groot]. Om 9.00 uur zet de stoet zich
in beweging, d.w.z. 18 renners en een veelvoud daarvan
aan volgauto's en supporters op brommers. Sportief
gezien valt de koers me tegen. Er wordt weinig
gedemarreerd (bovendien op de verkeerde plaatsen), het
tempo ligt niet hoog, en ook tactisch wordt er matig
gepresteerd. Maar dat tekort wordt ruimschoots
gecompenseerd door het wilde enthousiasme rondom de
wedstrijd. Links en rechts schieten brommers door het
peloton om een bepaalde renner aan te moedigen.
Vrouwen en kinderen staan, bij wijze van
ravitaillering, met trossen bananen te zwaaien. Mannen
op degelijke herenfietsen proberen aan te klampen aan
de staart van de groep. En de koersdirecteur,
herkenbaar aan de stukgewapperde Duitse vlag waarmee
hij orde houdt, drukt per ongeluk de Ugandese kampioen
de berm in (waarmee David kansloos is voor de
overwinning).
Na zo'n 100 km zijn we terug in Kawempe,
waar een
kopgroep van vier om de prijzen strijdt. De sprint
wordt gewonnen door een taai rennertje in een
Italiaanse kampioenstrui, die zich de hele dag in het
peloton heeft verstopt. Dan, die uren op kop heeft
gereden, is moe en wordt vierde. Hij is niet
teleurgesteld, eerder blij en tevreden met z'n
prestatie. Bij de prijsuitreiking, na lange, formele
speeches door 3 voorzitters, krijg ik plotseling de
microfoon in mijn handen gedrukt. Ik weet van niets,
maar als enige mzungu wordt van mij nu kennelijk een
toespraakje verwacht. Ik klim op een stoel, kijk in
200 bruine ogen, en praat wat gemeenplaatsen aan
elkaar over "gastvrijheid", "prachtig land",
"spannende wedstrijd" en "terechte winnaar", waarna ik
plechtig de bronzen medaille overhandig. De
regiovoorzitter mag de tweede prijs uitreiken, en de
president van de Uganda Cycling Association de beker
voor de kampioen. Dit is tenslotte Afrika - in de
hierarchie heeft iedereen z'n plek.
Kampala (2)
-----------
Ik kan slecht tegen wachten. Vrijwel dagelijks bezoek
ik daarom balie 14, de pakketafdeling van Posta
Uganda. Als ik na een kwartiertje aan de beurt ben,
zegt het altijd vriendelijke meisje: "Good morning,
mister Peter! I am sorry, no parcel from Holland. But
it will be here soon soon! Come back tomorrow." Om de
tijd te overbruggen wandel ik het restant van de dag
door Kampala, bezoek een markt, een moskee of een
museum, lees de buitenlandse kranten in de British
Council, drink koffie met westerlingen of een kop thee
met een Ugandees. Op een mooie dag in november kom ik
aldus Catherine (24) tegen, studente informatica aan
de Makerere University. Catherine is geestig, goed
opgeleid, beschouwend en tolerant tegenover
andersdenkenden, een niet-alledaagse combinatie in
zwart Afrika. Want wat heb ik 't meest gemist sinds ik
de Limpopo overstak, de noordgrens van Zuid-Afrika?
Stilte, d.w.z. de afwezigheid van harde muziek en
luidruchtige mensen. Lekker eten. Privacy, de rust om
onder een boom te pauzeren zonder door 20
voorbijgangers te worden bekeken. Water, in de vorm
van een krachtige douchestraal of een brede, Hollandse
rivier. Maar het meest van alles (en ik hoop niet dat
dit pretentieus klinkt): een gesprek met inhoud, een
gedachtenuitwisseling die je verstand doet tintelen.
Afrikanen zijn niet dommer dan Europeanen. Doch de
kans dat je een Afrikaan spreekt met meer dan 2 jaar
middelbare school is klein, buiten hoofdsteden in de
orde van 5 procent (mijn schatting). Meestal is
armoede de oorzaak: er is simpelweg geen geld om alle
7 kinderen in het gezin een opleiding te geven.
Wat wil ik met deze omweg zeggen? Dat
het heerlijk is
om een Afrikaan(se) tegen te komen die goed Engels
spreekt en graag ideeen uitwisselt. Iemand die geen
belangstelling heeft voor de prijs van je fiets of de
hoogte van je salaris, maar voor je visie op bijv.
homoseksualiteit of de rol van vrouwen. Catherine is
zo iemand. Als niet-westerling stelt ze bovendien
andere vragen dan een Nederlander of een Brit, vragen
die me op een prettige manier confronteren met mijn
culturele wortels. Zoals: "Waarom zijn westerse
gezinnen zo klein?", "Worden blanke vrouwen vaak door
hun man geslagen?", "Geloven Nederlanders in God?", en
(voor Afrikanen een onnbegrijpelijk fenomeen): "Waarom
accepteren jullie homoseksualiteit?". Ik trek ruim een
week met Catherine op, voor zover ze geen college
heeft of moet werken als kassameisje. Ze laat me
kennismaken met haar familie, we gaan uit, en ze leert
me senene eten, een delicatesse die bij de regentijd
hoort. "Smaakt goed, vind je niet?". "Een beetje
notig." "Maar je moet wel weten hoe je ze klaarmaakt.
Vleugels en poten eraf, en dan bakken in palmolie."
"Juist. Maar wat zijn eigenlijk senene?".
"Sprinkhanen."
Kampala-Jinja-Mount Elgon
-------------------------
Op maandag 17 november rijd ik Kampala uit, met een
nieuwe lens en een hart vol spijt. Ik heb in Kampala
veel leuke mensen ontmoet (naast Dan en Catherine een
rij westerse reiszigers en hulpverleners), maar na 3
weken op 1 plek verlang ik naar het ritme van de
pedalen. Langs velden met suikerriet en papyrus rijd
ik naar het oosten, naar Jinja, de plaats waar de Brit
John Hanning Speke in 1862 als eerste blanke de bron
van de Witte Nijl zag. Zelfs bij de bron (meer een
uitlaat van Lake Victoria dan een lispelend beekje) is
de Nijl al zeer breed, honderden meters van helder,
traag stromend water. Vanaf hier begint de Nijl aan
haar lange reis van 6400 km naar de Middellandse Zee,
door Uganda, Sudan en Egypte.
Als toeristenattractie is de bron van de
Nijl
nauwelijks ontwikkeld - een geluk bij de ongelukkige
jaren tot 1986 onder de bloedige despoten Obote en
Amin. Ik daal een lange trap af en zit mijmerend langs
de waterkant, als enige bezoeker, in splendid
solitude. In een boom in de stroom houden aalscholvers
werkoverleg. Zwart-witte kingfishers storten zich als
kamikazepiloten in het water, een vlucht libellen
scheert voorbij, en hoog in de avondzon cirkelt een
gouden visarend over diepgroene heuvels, langs palmen
en bananenbomen. Voor 1 keer wil ik de VVV-folder
geloven. Uganda is inderdaad een mozaiek van prachtige
landschappen, "de groene parel van Afrika".
|
Via Mbale en
de noordhellingen van Mount Elgon fiets
ik daarna naar Suam, een dorp op de grens met Kenia.
Daar ontspint zich de volgende dialoog, karakteristiek
voor Afrika. [Het is 14.00 uur, ik sta voor een
vervallen douanekantoor met 1 bureau, de zon schijnt
furieus, twee soldaten liggen onder een boom].
P: "Heren, goedemiddag! Volgens dit bord
hier moet ik
mijn vertrek uit Uganda melden bij de dienstdoende
immigration officer."
2S: "Klopt."
P: "Maar er is geen immigration officer."
2S: "Oh."
P: "Enig idee waar hij is?"
2S: "Misschien zit hij te lunchen?"
P: "En wanneer is hij klaar met eten?"
2S: "You just wait. He will be back soon soon."
P: "Maar wat is soon soon? Een half uur? Een uur?"
2S: "Dat zou kunnen."
P: "Ik denk niet dat ik zo lang kan wachten."
2S: "Oh, maar dat moet! You see, the problem is... bij
jullie in Amerika staat er altijd een McDonald's naast
het douanekantoor. Bij ons niet. Wij moeten naar een
restaurant in het dorp lopen. Dat kost nu eenmaal
tijd."
P: "Ik zie het probleem. Maar is er dan geen
vervanger?"
2S: "You see, the problem is... Uganda is arm. Als er
meer geld zou zijn, had de officer een hulp. Die zou
dan tussen de middag een bord nyama met ugali kunnen
halen. You just wait."
P: "Daarvoor ben ik te ongeduldig. Sorry hoor, een
zwak punt van veel mzungu's. Dan maar geen
exit-stempel."
2S: "Maar daar krijg je problemen mee, grote
problemen!"
[Probleemloos verlaat ik Uganda. De
soldaat die me
moet controleren is te loom om z'n wachthuisje uit te
komen.]
Kitale - Lake Turkana
---------------------
In Kitale, een stadje in West-Kenia, moet ik uitmaken
via welke route ik naar Ethiopie reis. Er zijn drie
mogelijkheden, elk met hun eigen nadelen. Optie een:
via de hoofdweg Isiolo-Moyale, berucht om z'n slechte
wegdek en Somalische shifta's (struikrovers). Twee:
oostelijk van Lake Turkana, 500 km zandweg door de
verlaten Chalbi-woestijn. Of drie: via de westoever
van het Turkanameer, de kortste route met het beste
wegdek. Helaas voert deze weg ook door een gebied waar
nomadische stammen (Pokot, Turkana, Merille) elkaars
vee roven; conflicten die worden uitgevochten met
kalasjnikovs. Ik pieker en twijfel, tracht advies te
krijgen van de politie en westerse hulpverleners, zoek
het internet af en spreek militairen aan, maar alles
tevergeefs. Niemand beschikt over actuele informatie,
en de informatie die er is, is vaak vaag en
tegenstrijdig. Ach, what the heck, denk ik, ik neem de
kortste route. Tenslotte heb ik geen koe of geit bij
me waar een opgewonden Pokot interesse voor zou kunnen
krijgen. En er is altijd nog een vierde optie:
omdraaien.
Via de Marich-pas, Lokichar en Lodwar
fiets ik door
een landschap dat geleidelijk droger en kaler wordt,
van dichte naaldbossen via cactussen en acacia's naar
vulkanische asvlakten met een paar dappere
doornstruiken. Mijn hemel, wat is het hier heet, na
een uur of elf lijkt de lucht wel van gesmolten ijzer.
In Kalokol, aan de rand van het meer, zijg ik neer
achter een bord githeri (bonen met mais) en een liter
Fanta en raak in gesprek met een visser. Volgens
Michael (21) is het te riskant om verder te trekken
langs de westoever - er zijn spanningen tussen de
Turkana en de Merille. Het is beter als ik dicht langs
de oostoever reis. "Er loopt een goede zandweg langs
het water, in twee dagen sta je aan de grens! Een dag
varen, een dag fietsen. Trust me. Ik weet waar ik over
praat, ik vaar al m'n hele leven op dit meer!" Dat
klinkt goed, denk ik. We spreken af dat Mike me voor
75 dollar naar de overkant brengt.
Enfin, wat daarna volgt laat zich
samenvatten als een
nautische nachtmerrie. In een oude houten zeilboot met
lekkende naden zwalken we dagenlang over het meer,
geplaagd door ongunstige wind. De tweede dag liggen we
tot laat in de middag stil, wachtend op een briesje.
Op de derde dag zijn we door ons eten heen. En op de
vierde dag muit de bemanning - na alle omwegen menen
de jongens dat ze recht hebben op extra geld. Ik ben
het zeilavontuur inmiddels zo zat, dat ik me laat
afzetten op een strandje en de boot het beste wens. Nu
nog de "goede zandweg langs het water" opsporen, en ik
kan weer fietsen. Maar al wat ik aantref is een
moddervlakte waar ik onmogelijk doorheen kom. Na twee
dagen wachten vind ik een motorboot die me in een
ochtend terugvaart naar de westoever. Netto resultaat:
in zes dagen ben ik 60 km opgeschoten richting
Ethiopie. Hoe nu verder?
Grens Ethiopie - Arba Minch
---------------------------
Ik ben geen held, en heb ook geen death wish. Maar nu
ik zo dicht bij de grens ben (45 km), heb ik weinig
zin om me nog iets aan te trekken van alle geruchten
over stammentwisten. Ik zie wel hoe 't gaat. In het
slechtste geval word ik beroofd van m'n portemonnee
met dag-geld; het grote geld zit in mijn frame
verstopt.
In een ochtend rijd ik over een mulle
zandweg naar de
grens, door een verlaten vlakte met af en toe groepjes
herders. Alle mannen dragen een geweer over de
schouder, en allemaal fluiten en roepen ze om een
praatje. Maar ik heb geen trek in een gesprek met een
twintigjarige die nauwelijks groter is dan z'n geweer.
Ik steek m'n hand op, groet vriendelijk, en trap
driftig door.
Rond het middaguur bereik ik de
Ethiopische grenspost,
hooggelegen op een tafelbergje in een kurkdroge
vallei, en een echte kanshebber bij verkiezingen voor
de eenzaamste grensovergang ter wereld. Even een
stempel halen, denk ik, en dan is het nog 28 km tot
het eerste dorp. Maar de werkelijkheid verloopt
anders. Er is "een probleem" met mijn visum, beweren
de agenten in slecht Engels. "Wat bedoelt u?", vraag
ik. "Er staat hier dat je toestemming hebt om 90 dagen
in Ethiopie te verblijven. Dat kan niet. De normale
termijn is 30 dagen." "Dat kan ik uitleggen. De consul
in Kampala heeft me extra dagen gegeven. Logisch, want
ik ben traag, op de fiets duurt het meer dan een maand
voordat ik door uw land ben. Ethiopie is groot!" Maar
hoe ik ook praat en pleit, het antwoord luidt
steevast: "Dit visum is vervalst. Ben je wel echt een
toerist? Of een spion?" Ik dreig de Nederlandse
ambassade in Addis Abeba in te schakelen, barst in
woede uit, en vecht ten slotte tegen m'n tranen.
De heren reageren onverstoorbaar.
Sterker, ze hebben
er wel lol in om me te treiteren en te vernederen waar
het maar kan. Ik krijg nauwelijks eten of drinken,
geen waswater, slechts een paar uur nachtrust, en ik
kan geen stap zetten zonder een agent met een
automatisch geweer aan mijn zij. Wat ben ik toch
onnozel, dringt het de volgende ochtend tot me door -
de schoften willen gewoon geld. Na 24 uur van gesar en
verbroken beloften zwicht ik en betaal een afkoopsom
van 50 dollar. En oh ja, de grootste klootzak wil ook
nog "een geschenk", bij wijze van afscheid, "because
we're friends". Bijvoorbeeld Jozef, het aapje dat als
talisman aan m'n stuur hangt. Ik ben zo murw dat ik
geen remmingen meer ken. "You've had enough! Forget
it!", snauw ik hem toe. En dat doet hij wonderwel. Met
een vriendelijke herder als metgezel verlaat ik de
grenspost en bereik 's avonds Omorati. Daar ontdek ik
dat de agenten vrijwel al mijn Ethiopische birrs
hebben gestolen, ter waarde van nog eens 40 dollar.
Inmiddels ben ik in Arba Minch, een
stadje in het
zuidwesten, waar ik bijkom van alle GTST in een RK
missiepost. Zoals het hoort in een slechte soap
bestaat de wereld uit schurken en engelen. Father John
en father Philippe behoren tot de good guys.
Wordt vervolgd...
Chow!
Peter van de Beek
PS: Sorry, dit verslag was weer veel te
lang. Beschouw
het ajb als een dubbeldik Kerstnummer!
|
Reisverslag nr 8
Khartoum, Sudan
Khartoum, Sudan, 26 februari 2004,
totaal 14.822 km
---------------------------------------------------
Vrienden!
Vanuit een stoffig, heet Khartoum (38
graden) stuur ik
hierbij het achtste verslag van mijn fietsreis door
Afrika. Het wordt weer een uitzending van Goede Tijden
Slechte Tijden, ben ik bang. In deze aflevering:
diefstal en geweld, haat en vriendschap, een warme
omhelzing, buikpijn en voetbal, en melk uit Holland.
Wat vooraf ging
---------------
In de vorige aflevering was ik zojuist aangekomen in
Arba Minch, ZW-Ethiopie, na een tocht via Lake Turkana
(Kenia) en een onprettig oponthoud aan de Ethiopische
grens. In dit verslag: de etappe van Arba Minch via
Addis Abeba naar Khartoum in Sudan.
Arba Minch-Addis Abeba-Gondar
-----------------------------
Het kost me, merk ik, moeite om onbevangen en
objectief
terug te denken aan de 7 weken die ik in
Ethiopie heb doorgebracht. Dagenlang heb ik opgezien
tegen het schrijven van deze mail. Het liefst
zou ik Ethiopie willen vergeten, uitwissen uit mijn
geheugen. Niet vanwege de landschappen - die zijn
mooi. Ook niet vanwege de religieuze kunst - weinig
landen kunnen bogen op zo'n indrukwekkend cultureel
erfgoed. Zonder inwoners is Ethiopie een paradijs.
Maar ja, die mensen. Nooit ben ik een volk
tegengekomen dat in korte tijd zo veel negatieve
gevoelens bij me wist los te maken: ergernis, afschuw,
onverschilligheid, woede en soms angst.
Maar wat is er dan mis met die mensen?
Laat ik een dag
beschrijven, 25 december, geen feestdag. Uit mijn
reisjournaal: "Om
7.30 uur weg uit Sodo, lange klim in de ochtendkou.
Goede fietsomstandigheden, droog, onbewolkt, weinig
wind. Iets buiten de stad een paar honderd lila
uniformen, jongeren op weg naar de secondary school.
Breed uitwaaierend nemen ze de hele weg in beslag, op
een nauwe doorgang na, als in een bergetappe in de
Tour. Auto's toeteren, fietsers stoppen, zelf rijd ik
stapvoets langs de pubermassa, behoedzaam
manoeuvrerend om niemand te raken. Twee meisjes
plukken aan m'n shirt, ik reageer niet. Een jongen
brult "Youyouyou!", een ander "Give me money!, weer
een ander "Fuck you, motherfucker!" - woorden,
woorden,
vrijwel de complete schat aan Engels waarover een
hoog opgeleide Ethiopische jongere beschikt. Ik laveer
om een groepje heen dat als een voetbalmuurtje over
straat gaat. Zelf vinden ze het reuzegrappig, en ik
grimlach terug. Niet laten provoceren. Trouwens, het
is nog te vroeg om me te ergeren. Tussen de middag een
dorp waar een jongen me achterna rent en een fles
water probeert te stelen. Ik geef hem een hengst met
mijn stok, de jongen grijpt naar zijn hoofd, z'n
vrienden
lachen. 's Avonds in Aje, een bergdorp waar een man me
drie uur lang als een schaduw achtervolgt, tot in de
wc van mijn hotel, hopend op gratis bier en dito eten.
Hij is stoned van een middag qat kauwen, z'n gebit
ziet
groen van de bladerpulp. Het heeft geen zin om de
man weg te sturen, zijn geest leeft op een andere
planeet dan de mijne. Het enige wat hij op dit moment
kan is druk praten."
"Wel, is dat alles?", zal de lezer
zeggen. "Wat
opgewonden pubers en een opdringerige volwassene? Het
is toch algemeen bekend dat Ethiopie een arm land is?
Een woestijn vol sloebers die vechten tegen de honger?
Waar, westers fietsertje, maak je je dan druk om?"
Het probleem is dat het beeld niet
klopt. Beter
gezegd: onvolledig is. Ethiopie is een land van
vreemde, bijna perverse tegenspraken, als ik het vlug
samenvat. Je ziet inderdaad veel bedelaars -
kinderen, bejaarden, kreupelen en lepralijders, ga zo
maar door. Maar ook de hotelportier en de snelle
jongen met z'n dure merkkleding steken hun hand uit
naar de westerling. In 2003 leefden
13 miljoen Ethiopiers (1 op de 5) van internationale
voedselhulp. Doch het eerste wat je ziet in een
willekeurig provinciestadje is een markt vol
zongerijpt fruit. Twee straten verderop, tussen de
juweliers en de telecomwinkels, vind je uitstekende
cappuccinocafe's met vers gebak. Het is er altijd
druk, niet met happy few, maar met gewone Ethiopiers
die wachten op de bus. Een groot deel van het
platteland is uiterst vruchtbaar - toch kan Ethiopie
zichzelf niet voeden. Het land loopt over van de
rivieren en andere waterbronnen - maar er is sprake
van chronische droogte. Raadsels, frustrerende
raadsels. Maar geen raadsels waar je als passant, als
faranji (= buitenlander), per se mee hoeft te
worstelen, toch?
Er is echter nog een andere tegenspraak. Ethiopie is
een diep-religieus land, met een dominante rol voor de
Ethiopische versie van orthodox christendom, de
staatsgodsdienst sinds het begin van de vierde
eeuw(!).
Het ritselt er van de orthodoxe kloosters en kerken,
elk dorpje heeft een kapel, er gaat geen maand voorbij
zonder religieus festival, en met Kerst (7 januari)
gaan zelfs de talrijke prostituees van Addis gekleed
in kuise witte gewaden. Hoe komt het dan toch dat je
als faranji vrijwel elke dag wordt lastiggevallen?
Uitgescholden, agressief benaderd, bestolen, bekogeld
met stenen, bedrogen met wisselgeld? Waar staat in de
Schrift dat hele schoolklassen een vreemdeling op een
fiets moeten sarren en achtervolgen, onder het oog van
lachende ouders? Ik heb het meerdere keren gevraagd
aan Ethiopiers die wat Engels beheersten. "Nee, dat is
niet goed", luidde dan het antwoord. Waarna doorgaans
een blame game volgde. "Het ligt aan de regering."
"Nee, aan de armoede." "Het is de tijdgeest." "En
vergeet de oorlog met Eritrea niet." "Aha. Nu begrijp
ik waarom een jongen van 12 me bespuwt. De regering!
Armoede! Eritrea! Zelf dacht ik eerder aan falend
ouderschap en schaamteloze haat tegen buitenlanders."
"Misschien heb je gelijk. Maar mij treft geen schuld,
ik voel me niet verantwoordelijk." "Jaja. Wie wel? Is
dat niet de kern van het probleem - dat niemand
verantwoordelijkheid neemt voor zijn eigen gedrag en
dat van z'n kinderen?"
Wat is er toch mis met Ethiopie? Voor ik
die vraag
durfde te stellen heb ik eerst mezelf tegen het licht
gehouden. Ik kwam niet verder dan de bekende slechte
trekken: moeite met hierarchie, eigenwijsheid,
ongeduld, nervositeit, een zekere onaangepastheid in
het sociale verkeer, gebrek aan zelfvertrouwen. Is dat
voldoende om dagelijks met zinloos (verbaal) geweld te
worden behandeld? Ik dacht van niet. Maar wat is er
dan
mis met Ethiopie? Lastige vraag. Ik heb geleerd het
antwoord niet meer te verwachten van een sociale
cultuur waarin afwachten, zwijgen en ontkennen de norm
zijn. Frustrerend, heel frustrerend.
Intermezzo Coen
---------------
Was 't dan alleen maar vervelend, daar in Ethiopie?
Gelukkig niet. Op 5 januari haal ik vriend Coen op op
het vliegveld van Addis Abeba. Hoewel we elkaar ruim
10 maanden niet hebben gezien, klikt het al weer in de
taxi terug naar het hotel. Dezelfde grappen, dezelfde
gewoonten, dezelfde interesse voor geschiedenis, alles
is anders maar niets is veranderd. Een heerlijk
gevoel,
alsof ik tijdelijk thuiskom. Twee weken
trekken we door het land, liftend en bussend,
beschouwend en lachend, zoals we eerder samen
reisden door een handvol andere landen. Als ik Coen de
20ste weer aflever op de luchthaven, voel ik me niet
eenzaam, wel katterig. Als op de ochtend na een
geslaagd feest, alleen met een stapel afwas.
|
Grens met
Sudan
---------------
Op vrijdag 5 februari rijd ik bij Metema de grens over
met Sudan, de grote leegte in. Geen idee wat me te
wachten staat. Er bestaan geen reisgidsen van Sudan,
met slechts 1000 toeristen per jaar is er geen markt
voor een Lonely Planet. De schaarse kennis die ik heb
komt neer op de volgende fragmenten: decennialange
burgeroorlog tussen het islamitische noorden en het
christelijk/animistische zuiden (maar er is nu een
wapenstilstand); grootste land van Afrika, 60 x het
formaat van Nederland; dunbevolkt (30 miljoen mensen);
woestijnig en warm in het noordoosten, het kwadrant
waar ik doorheen wil; Osama woonde een tijd in
Khartoum; sluimerende problemen in Darfur, langs de
grens met Chad; pyramiden bij Meroe; en, oh ja, "de
aardigste mensen die je ooit hebt ontmoet", aldus
westerse tegenliggers.
Uit mijn
reisjournaal: "Glooiende heuvels, wind schuin
tegen, matig gravel, schel licht. Na 11 km bereik ik
het eerste Sudanese dorp, een groepje hutten in de
schaduw van een boom. Wat winkeltjes, of eigenlijk
meer tafels met grauwe zeep, suiker, thee, tomaten,
uien, koffiebonen en grofgehakt vlees. Onder afdakken
van hout en riet zitten mannen in witte djellaba's en
vrouwen in kleurige omslagdoeken met lichte sluiers.
De meeste gezichten zijn zeer donker, koffiebruin,
ronder en Afrikaanser dan in Ethiopie. De mannen
zwaaien naar me en kloppen op een leeg touwbed. "Come
here, mister, have a rest." Ik draai van de weg af en
groet in het Arabisch, "salam aleikum". "Wa aleikum
as-salam!", klinkt het enthousiast. Een oudere man
staat op van z'n bed, loopt zwijgend op me toe, pakt
me bij de schouders, en omhelst me dan met alle
hartelijkheid die hij in zich heeft. "Afwan, welcome!"
Ik krijg een vlies van tranen achter mijn zonnebril -
oei, dit voelt goed, bijna te goed. Eindelijk weer
terug in de warme menselijkheid genaamd Afrika. Wat
een contrast met de afgelopen weken. Ik hoop dat het
maatgevend is voor de rest van Sudan."
Dat is het. Na een paar dagen in Sudan
begint zich in
mijn hoofd vast te zetten dat ik nog nooit zulke
zachtmoedige, vriendelijke, gastvrije mensen heb
ontmoet. Okee, ze vragen me het hemd van het lijf,
daarvoor zijn het Afrikanen. Ik kan geen
politie-post of pompstation passeren zonder een
uitgebreid diepte-interview. "Waarom reis je alleen?",
"Waarom niet met de auto?","Hoe bevalt Sudan?", "Waar
is je vrouw?" en "Hoeveel kinderen heb je?". Maar
altijd gaat het even beleefd en joviaal, vergezeld van
wat vriendelijkheden over Holland ("Lekkere melk!") en
een aangename zorgzaamheid ("Rust wat uit, je bent
vast moe. Wil je thee? Wees mijn gast"). Nee zeggen
mag. En niemand stoort zich eraan als je na enige tijd
antwoordt: "Nu wil ik even alleen zijn. Lunchen in de
schaduw en naar het BBC-nieuws luisteren." "Of course,
take your time. Call me if you need any help."
"Shukran." "Afwan."
Gedaref
-------
Op zondag 8 februari bereik ik Gedaref, een
middelgrote stad aan de asfaltweg Khartoum - Port
Sudan. Ik neem een kamer in het Amir Hotel, een
bejaard gebouw met stoffige kamers en reutelende
douches, niet goedkoop (9 dollar), maar middenin het
centrum en aangenaam koel. Na 750 ononderbroken
kilometers van stof, stenen, kuilen en zand is mijn
lichaam moe. Daarnaast heb ik al dagen buikpijn,
waarschijnlijk nog een erfenis van de weerzinwekkende
Ethiopische hygiene. En ja hoor, 's nachts komen de
microben in opstand, een maagdarminfectie waar ik
alleen vanaf kom met sterke antibiotica. Ik doezel een
paar dagen, en studeer tijdens heldere momenten in
John Reader's "Africa, A Biography of the Continent",
zware kost, maar een boek met tal van oorspronkelijke
hypothesen en inzichten m.b.t. Afrika en haar
problemen.
Drie dagen later ben ik voldoende
hersteld voor een
wandeling naar de schoenlapper. Terwijl de schoenenman
op straat mijn fietssandalen naait, alles met de hand,
raak ik in gesprek met een leraar Engels. Walid is 30,
ongetrouwd, en heeft linguistiek gestudeerd in
Kassala. Belangrijker is evenwel dat Walid weet waar
vanavond een kleuren-tv staat die ook echt werkt. Niet
een kwartiertje met veel gesputter,
maar de volle speeltijd van Nigeria-Tunesie, halve
finale van de Africa Cup of Nations.
En zo zit ik die
avond op een versleten draadstoel in de Teacher's Club
van Gedaref, Sudan, als enige pet tussen dertig
tulbanden. Uit mijn dagboek: "De Teacher's Club is een
gebouw dat voornamelijk uit dak bestaat, met hier en
daar een muurtje ter ondersteuning. Een lekker
luchtige constructie voor warme zomerdagen. Het is nu
winter in Sudan, verezekeren de buren me, en met 20-25
graden rond zonsondergang bepaald fris. Ik ervaar dat
zelf anders. Na weer een dag van droge hitte (35-38
graden) ben ik blij als het 's avonds afkoelt. De
wedstrijd is spannend, maar het spelpeil zozo. Beide
teams missen een afmaker, het regent verprutste
kansen. Maar dit is Afrika, dus
er is altijd nog een tweede spektakel, het leven naast
de match. Iedereen praat luid terug tegen de
commentator, af en toe loopt de thee-man het snoer uit
het stopcontact (goedmoedig gezucht), drie keer valt
langdurig de verbinding met Tunis weg (minutenlang
concentreren we ons op een leeg scherm), en kort voor
rust verdwijnt ineens tweederde van de toeschouwers.
Okee, denk ik, de wedstrijd valt tegen, ik begrijp dat
je eerder naar huis wilt. Maar waarom niet even tot de
pauze gewacht? Vergissing. De mannen groeperen zich op
een pleintje op een lange mat onder een boom, en
verzinken in hun avondgebed. Een wonderlijk tafereel,
die rust en contemplatie op gezichten die nog kort
ervoor rood aanliepen van een mislukte een-twee of een
overzeilende voorzet. Na 120 minuten ploeteren eindigt
de strijd in 1-1; Tunesie wint na strafschoppen.
Iedereen tevreden, want de Arabisch sprekende
moslimbroeders hebben gezegevierd."
Khartoum
--------
Op woensdag 18 februari, dag 355, bereik ik de
Sudanese hoofdstad, Khartoum, waar ik me begeef op een
lange mars langs traag draaiende ambtelijke
instellingen. Aanmelding als buitenlander bij het
Aliens Registration Office: 2 bezoeken, totaal 1
dagdeel in de rij. Verlenging van mijn visum: 3
bezoeken, 3 dagdelen. Daarna naar het Egyptische
consulaat,
ook voor een visum: 5 bezoeken, 3 dagdelen.
Tussendoor een foto-vergunning, travel permit en
toestemming om de pyramiden te bezichtigen: 2
bezoeken, 1 dagdeel. Alles gegarneerd met visites aan
de copyshop en de pasfotoman. Sudan is een heerlijk
land om in te reizen, bedenk ik in de rij voor de
zoveelste balie, maar die burocratie is slopend.
Maar ach, wat zeur ik nou? Op een avond
lees ik in het
nieuwsarchief van bbcnews.com dat er sinds kort weer
problemen zijn in
Darfur, West-Sudan. Honderden doden,
vluchtelingenstromen richting Chad, voedseldroppings,
door de regering gesteunde milities die schieten op
burgers. Niets van gemerkt. De kranten (voor zover
verkrijgbaar) kan ik niet lezen, tv's zijn schaars, de
winkels liggen vol, en niemand in dit deel van het
land praat over het conflict in het westen. Ook dat is
Sudan.
Ma'is salaama,
Peter van de Beek
PS1: John Reader, "Africa, A Biography
of the
Continent", Penguin Books 1998, ISBN 0-140-26675-5.
PS2: vorige afleveringen zijn nog steeds
terug te
lezen via www.avaghon.nl
|
Reisverslag nr 9
Aswan (Zuid-Egypte)
7 april 2004, totaal 15.837 km
---------------------------------------------------
Vrienden!
Vanuit een warm, onbewolkt Aswan (35 graden) stuur ik
hierbij het negende verslag van mijn fietsreis door
Afrika. Hoewel, is dit nog Afrika? Geografisch behoren
Noord-Sudan en Zuid-Egypte tot het donkere continent.
Maar misschien is het beter om te spreken van het
zwart-witte land, the Country of Contrast.
Wat vooraf ging
---------------
In mijn vorige verslag was ik aangekomen in de
Sudanese hoofdstad Khartoum, de plek waar de Blauwe en
de Witte Nijl samenvloeien en even indrukwekkende
bureaucratische papierstromen elkaar kruisen. In dit
verhaal: de etappe van Khartoum naar Aswan via de Nijl
en de noordelijke woestijn.
Meroë
-----
Op maandag 1 maart, een jaar na mijn vertrek uit
Johannesburg, vind ik mezelf terug in de bus van
Khartoum naar Atbara voor een dagtrip naar Meroë. Met
ongekende snelheden (130 km/u) begeven we ons naar het
noordoosten, over misschien wel de beste weg van
Sudan. Geen gaten, geen verzakkingen, weinig ribbels,
een strak zwart lint door een roestbruine woestijn.
Een eersteklas weg - ook wel bekend als de Osama Road.
Zoals we nu weten, verhuisde Osama bin
Laden in 1992
naar Sudan, waar hij met zijn vrouwen en kinderen een
dubbelleven leidde, een bestaan van constructie en
destructie. Overdag was hij aannemer, verantwoordelijk
voor prestigieuze bouwprojecten als de snelweg naar
Atbara en de luchthaven van Port Sudan. 's Avonds en
in het weekend bouwde hij aan zijn organisatie Al
Quaeda, broedend op aanslagen tegen Amerikaanse
militairen in Somalië en de VS-ambassades in Kenia en
Tanzania. In 1996 kreeg de Sudanese regering genoeg
van Bin Laden, waarop hij en zijn entourage
terugkeerden naar Afghanistan. Exit Osama, althans
officieel. In de geesten van veel gewone Sudanezen is
Osama nog steeds prominent aanwezig, die lange, magere
man met de charismatische blik, de rechterhand vol
aalmoezen, in de linkerhand een staf, de mond
overstromend van donderspraak, every inch het Zwaard
van de Islam. In een populariteitspoll zou Osama vast
en zeker hoog scoren. Maar helaas kent Sudan geen
opiniepeilingen.
Na twee uur rijden trapt de chauffeur op
de rem en zet
me af in een woestijn die trilt van de hitte. "Meroë.
Al ahraam!", wijst hij, "de piramiden!". Ah, denk ik,
dit is weer een sterk staaltje van toerisme op z'n
Sudanees: geen bord, geen cola-stalletje, geen weg, en
voor zover ik 't in dit schelle licht kan zien ook
geen piramiden. Op goed geluk volg ik wat bandensporen
door het zand, op weg naar de belangrijkste
toeristenattractie van Sudan, naar verluidt zo'n 2 km
sjokken naar het oosten. En jawel, in de verte
ontvouwt zich na enige tijd een dramatisch landschap
van donkerbruine ruïnes, resten van het
Kush-koninkrijk (4de eeuw voor Christus tot AD
325). Zo'n 35 stompe, steil oplopende piramiden staan
slordig gegroepeerd op een heuvelrug van zandsteen,
als het ondergebit van een prehistorisch dier. (Zie
ook
http://www.hp.uab.edu/image_archive/um/pyramid01.jpg).
Rond de piramiden liggen duinen van opgewaaid goudgeel
zand, in zachte, romige vormen, vergelijkbare
beeldhouwwerken als na een sneeuwbui in de Alpen. Dit
is mooier en indrukwekkender dan de piramiden van
Gizeh in Egypte, bedenk ik. Ik zie geen sporen in het
zand anders dan mijn eigen afdrukken. Hoe zou het ook
kunnen - ik ben de enige mens in de wijde omtrek.
Khartoum - Abu Dom - Nijl
-------------------------
Twee dagen later verlaat ik groot en vol Khartoum (7
miljoen inwoners), een conglomeraat van steden,
townships, markten en zandvlakten vol zwerfvuil. Na
een handvol keren de route te hebben gevraagd
(wegwijzers zijn onbekend), bevind ik me ten slotte op
een splitsing. Vanaf hier is het eenvoudig: rechtsaf
gaat terug naar chaotisch Khartoum, en de andere weg
is de asfaltweg naar het noorden via de Bayuda Desert.
Ik sla linksaf, krom mijn rug, en vind al snel het
ritme voor de komende 400 kilometer: zoek een punt aan
de horizon, bijvoorbeeld een boom of een minaret, en
fiets daarnaar toe, duwend tegen de straffe wind die
aanhoudend uit het noorden blaast. Af en toe passeer
ik een dorp of een paar hutten, soms komt er een truck
of een bus voorbij, maar voor het overige ben ik
alleen met mijn gedachten. Gedachten die dagenlang het
volgende lijstje afwerken:
* Heb ik genoeg eten?
* Waar kan ik schuilen tegen de zon/hitte/wind?
* Hoe ver is de volgende plek met water? en
* Is dit leuk?
Uit mijn reisdagboek: "Vrijdag 5/3.
Leeg, leeg.
Zandhopen, zandvlakten, zandheuvels, aan de horizon
wat bruine bergen. Nog steeds harde tegenwind. Tussen
13.00 en 16.00 uur uitgerust in een vervallen
theehuis, wachtend tot de grootste hitte (42 graden)
voorbij is. Rond 17.30 uur bij het volgende theehuis.
Ik sla water, brood en koekjes in, en rijd nog een
paar kilometer door voor een slaapplek onder een
doornboom, ergens in de desert. Net als ik wil gaan
slapen, zwelt de wind aan. Harde klappen die de tent
doen schudden, continu gefluister van zand dat tegen
het doek straalt. Zaterdag 6/3. Wakker geworden als
mummie. Overal zand: hoopjes rond m'n voeten, bergjes
rond m'n hoofd. Met moeite opgepakt, alles waait weg.
Ik laat me terugblazen naar het theehuis door een
geelgrijs gordijn van stof en zand. Tamelijk koud, de
zon is niet in staat door het gordijn te prikken.
Kleuren en diepte zijn verdwenen. Van 200 meter
afstand kun je wel zien dat daar een vrachtwagen
rijdt, maar niet of 'ie blauw is, rood of geel.
Vrijwel niemand op de weg, misschien 1 auto per half
uur, en 1 maal per uur een ezelkar met een oliedrum
met water. Dorst gaat door, ook in een zandstorm." Na
36 uur gaat de haboob liggen en kan ik verder door de
leegte.
Eén van de oudste gezegden in Sudan
luidt: "Moest
Allah lachen of huilen toen hij Sudan schiep?
Waarschijnlijk allebei." Het staat wel vast dat de
Enige & Hoogste in een goede bui was toen hij de Nijl
boetseerde. Vanaf Abu Dom, waar het asfalt overgaat in
gravel en zand, rijd ik door een groene band van
palmen en plantages bespikkeld met witgepleisterde
huizen van leem - de oevers van de Nijl. De grens
tussen het oker van de woestijn en het smaragd van de
velden lijkt wel met een mes getrokken: geen
tussentonen, geen gradaties. Direct naast de laatste
scheuten van een veld graan of bonen begint de sahra
(woestijn). De zon brandt, de weg is slecht (zand en
ribbels), reden waarom de boeren in hun wapperende
witte galabiyya's voortdurend naar mijn welzijn
vragen. "Wil je thee? Heb je honger? Kom naar mijn
huis en rust wat uit!"
En zo zit ik op een middag in de tuin
van meneer
Muhuideen (= "een man die het geloof doet leven"), een
kleine donkere man van 55 die vier voortanden mist,
vader is van vijf zoons en een dochter bij twee
vrouwen, leraar Arabisch aan een middelbare school en
parttime dadelkweker.
|
Zijn huis is
van gladgestreken,
ongebakken rivierklei, een laag, monumentaal gebouw
met muren van een halve meter dikte, vierkante ramen
zonder glas en een dak van palmvezels. Grote koele
kamers (gescheiden in een mannen- en een
vrouwenvleugel), een binnenhof, een waterpomp en rond
het huis een plantage met zo'n 40 dadelpalmen die
ruisen in de wind. "Zien de huizen in Holland er ook
zo uit?", vraagt meneer Muhuideen. Ik schiet in de
lach. "Nee, nee. In ons klimaat spoelt uw huis weg
binnen de tijd van een jaar. Veel te veel neerslag,
soms wel de hele week." "Ja, dat is een groot
verschil. Sinds maart vorig jaar heeft het hier twee
of drie keer geregend." "En daar komt bij dat ruimte
in Holland veel schaarser is dan in Sudan. Voor een
groot huis als dit betaal je een half miljoen dollar,
plus een half miljoen voor de grond." Meneer Muhuideen
heeft moeite me te geloven. In een goed jaar verdient
hij 1000 dollar met zijn dadels, een welkome
aanvulling van zijn docentensalaris (60 dollar per
maand). "Is dit een goed jaar, meneer Muhuideen?" "De
dadels zijn pas rijp over een maand of zes, maar
alles wijst erop dat de oogst rijk zal zijn." "Tamam!
Goed! Ik hoop het voor u." "Insh'allah." "Natuurlijk."
De avond valt, we delen een schaal fuul (bruine bonen
met salade en brood), meneer Muhuideen verdwijnt naar
de moskee voor z'n avondgebed, en zelf strek ik me uit
op een touwbed tussen de palmen. Volle maan. Er staan
meer sterren aan de hemel dan het tussenliggende
zwart. Welkom in het paradijs.
Dongola - Abri - Wadi Halfa
---------------------------
Sudan was het eerste Afrikaanse land dat onafhankelijk
werd na de Tweede Wereldoorlog. Voor 1956 was het een
Britse kolonie, bestaande uit twee
verschillende bevolkingsgroepen die gedwongen werden
één huis te delen: de Arabische moslims van het
noorden, en de zwarte christenen en animisten van het
zuiden. Haat was het enige dat de twee groepen
verbond, na een eeuwenlange cyclus van noordelijke
invasies van het zuiden, waarbij de zwarten als slaven
werden gebruikt en hun land werd leeggeroofd. Hoe
konden deze twee vijandige werelden, kinderen van
slaven en van slavenhandelaren, samenleven in één
natie? Dat konden ze niet. Vrijwel direct na de
onafhankelijkheid brak een burgeroorlog uit tussen
noord en zuid die inmiddels miljoenen levens heeft
gekost en (met een onderbreking van 11 jaar) tot op de
dag van vandaag voortduurt.
Merk je als reiziger door het noorden
iets van dat
conflict? Nauwelijks. Niemand praat erover, en de
islamitisch-fundamentalistische staats-tv zendt
uitsluitend beelden uit van de "vernedering" van Irak
en het "onrecht" dat Israel de Palestijnen aandoet. De
moslims in Noord-Sudan zijn de aardigste, meest
gastvrije mensen die ik ooit heb ontmoet. Zelden gaat
er een dag voorbij zonder dat mensen me wat lekkers
toestoppen of erop staan mijn thee te
betalen.
Maar begin niet over de burgeroorlog,
want het
antwoord doet je tanden knarsen. De
meeste zwarten zijn "dom en lui", de mannen "stelen",
de vrouwen zijn "hoeren", en het zuidelijke streven
naar zelfbestuur is een "complot van de Amerikanen",
hoogstpersoonlijk geleid door George W. Bush. "Bush
Shaytaan!", Bush is Satan. "Een moordenaar die dood en
verderf zaait in de Arabische wereld en erop uit is de
islam te vernietigen." "Misschien heb je gelijk. Maar
verklaar dan eens dat Colin Powell de
vredesbesprekingen in Naivasha bijwoont." "Dat", zegt
mijn gesprekspartner, "is een deel van het complot.
Bush is zo doortrapt! Maar wij moslims doorzien hem."
"Op de BBC-radio hoor ik berichten over
bombardementen, brandschatting en verkrachting. Het
noorden, zegt men, exploiteert het zuiden, met name om
de olievelden. Klopt dat?" "Nee", zegt mijn
gesprekspartner, die een blauwe eeltplek op z'n
voorhoofd heeft van het vele bidden. "Sudan is een
diep-religieus land dat leeft volgens het islamitische
shari'ah-recht. De Koran leert zachtmoedigheid en
naastenliefde, dus die verhalen uit Londen berusten op
leugens. Maar het zuiden moet begrijpen dat Sudan een
ondeelbare natie is." Ik kijk om me heen, zie een paar
zwarte vluchtelingen uit het zuiden het werk doen waar
de Arabieren geen zin in hebben (beton vlechten, de
straat vegen), en denk: dit conflict gaat nog eens
vijftig jaar duren.
Na een pauze in Dongola, een stad waar
ik heb
uitgerust van de eerste dagen over slechte wegen,
vervolg ik op 17 maart de reis langs de Nijl. Soms
voert de weg direct langs de rivier, maar even zo vaak
leiden lange slingers me 10 tot 30 km het binnenland
in, door een prachtig woestijnlandschap van
tafelbergen, kale rotsen in alle tinten bruin,
goudgeel zand en grijs grind. Geen huizen, geen
hoogspanningsmasten, spaarzaam verkeer (1 tot 10
auto's per dag). Navigerend op de zon en m'n kompas
kies ik het spoor in de meest waarschijnlijke
richting, hopend dat ik genoeg verkeer tegenkom om te
checken of ik inderdaad de juiste koers volg. "An
iznak, shaaria ila Abri, aiwa?" "Is dit de weg naar
Abri?"
Het fietsen gaat moeizaam - maar
'fietsen' is
misschien niet het passende woord. 'Stuiteren' dekt de
lading beter, of moet ik zeggen 'zeulen'? Ruim 500 km
lang volg ik een weg die meer lijkt op een horizontale
trap, met harde, overdwarse ribbels als treden. En als
de weg niet hard is, is hij zacht. Boterzacht, zo
zacht als het strand bij Scheveningen. Talloze malen
loop ik met een fiets aan de hand die diep wegzakt in
het zand onder het gewicht van de bagage en de 5-12
liter water die ik meevoer. "Is dit leuk?", pieker
ik als mijn armen verkrampen. "Wat doe ik hier?" en
"Waar ben ik mee bezig?". "Met iets wat je heel graag
wilt, waar je je hele leven naar hebt verlangd",
antwoord ik mezelf. "Stop even, rust uit, en kijk om
je heen. Die duinen, de prachtige abstracte patronen
in het zand, de groene band met palmen langs de Nijl,
een paar kilometer naar links, de mintgroene
minaretten aan de horizon. Hoor de stilte. Geniet van
je kracht. Neem een paar slokken water. Eet een hand
koekjes. Klaar? Mooi zo, want van stilstaan kom je
niet verder. En besides: het alternatief is een
kantoortuin in regenachtig Nederland."
Wadi Halfa
----------
OP zaterdag 27 maart bereik ik Wadi Halfa, de plek
vanwaar 1 x per week een veerboot naar Aswan in
Zuid-Egypte vaart. Ik koop een ticket en regel de
douaneformaliteiten. Als enige westerling loop ik door
een woestijnstadje dat zes dagen per week in coma
verkeert, slechts opgeschrikt door het gebalk van een
ezel, de oproep tot gebed en de ferry op woensdag.
Vergelijk dat met Aswan, het epicentrum van
Nijl-toerisme aan de andere kant van Lake Nasser. Een
zee van winkels, een orgie van licht en geluid, en
overal ongesluierd, wit toeristenvlees. In 7 minuten
in Aswan zie ik meer westerlingen dan in 7 weken in
Sudan. Wat een contrast.
Ma'is salaama,
Peter van de Beek
PS1: bronnen van dit verslag zijn "Dark
Star Safari"
van Paul Theroux (2003), R. Kapuscinski's "The Shadow
of the Sun" (Penguin Books, 2002), en
http://www.hp.uab.edu/image_archive/um/uml.html
|
Reisverslag nr 10
Cairo (Egypte)
11 mei 2004, totaal 16.821 km
---------------------------------------------------
Vrienden!
Vanuit een stoffig, heet Cairo (40
graden) stuur ik
hierbij het tiende en laatste verslag van mijn
fietsreis door Afrika. Het wordt een korte aflevering,
met dank aan het weer en een wraakzuchtige farao.
Wat vooraf ging
---------------
Aan het eind van mijn vorige verslag was ik zojuist
aangekomen in Aswan in Zuid-Egypte. Het contrast met
Noord-Sudan is groot.
Aswan - Luxor
-------------
Na een gemoedelijke boottocht vanuit Sudan, twintig
uur van thee drinken met chocoladebruine Sudanezen en
olijfoliekleurige Egyptenaren, beland ik op donderdag
1 april in Aswan in Egypte. Hier is toeristisch gezien
de beer los. Het is Paasvakantie in Europa, met als
gevolg dat er duizenden en nog eens duizenden blanke
toeristen door de straten stromen, te voet of in
koetsen. Ik ben helemaal niet meer gewend aan
toeristen, merk ik. Sinds de wildparken van Tanzania,
vorig jaar september, heb ik nauwelijks toeristen
ontmoet, alleen reizigers, en ook die in
homeopathische doses.
Het volgende is niet snoevend bedoeld,
begrijp me
goed.
Maar er is een verschil tussen een toerist en een
reiziger. Een toerist vindt het prettig om op
tempeltocht te gaan onder leiding van een gids die
zijn of haar taal spreekt. Een toerist ziet graag
westers eten op de menukaart. Een reiziger daarentegen
organiseert het liefst alles zelf, slaapt in hotels
voor lokale gasten, en eet wat de pot schaft. Vandaag
geen vlees en/of geen kamer met privébad en koele
lakens? Jammer dan, het zij zo. Een toerist wil zo
veel mogelijk hetzelfde comfort als thuis, alleen wat
goedkoper. Egyptische handelaren weten al sinds de
19de eeuw dat "wat goedkoper vertaald kan worden als
"drie tot tien keer de prijs voor autochtonen. En zo
worden hier dag aan dag fantasieprijzen verlangd die
veel geduld en humor vragen. Geduld om de prijs naar
beneden te praten, en humor voor het bijbehorende
theater. Het lastige is dat veel toeristen de eerste
vraagprijs betalen, of slechts de helft ervan. Nou ja,
aan de andere kant is het natuurlijk prettig om weer
s te kunnen genieten van koud bier met een Italiaanse
pizza. Toeristen, hartelijk dank!
Het is heel interessant om onder het
genot van een
sheesha (waterpijp) en Turkse koffie de
voorbijslenterende Europeanen te aanschouwen. Het
bereidt je mentaal voor op de terugkeer naar het
Avondland, de onvermijdelijke dag dat je weer in je
eigen stad bent, je eigen straat. Fransen in modieuze
merkkleding. Britten met tatoeages. Nederlandse meiden
met naveltruitjes en piercings. Zwijgende tieners met
walkmans. Bleke vrouwen in shorts, mannen met
zonnebrillen en petjes ja, nu je het zegt, dat zijn
mensen die dichtbij mij staan. Mensen van mijn
cultuur.
Na enkele bloedige aanslagen door
moslimextremisten in
de jaren negentig, heeft de Egyptische regering grote
aantallen politieagenten over het land uitgestrooid,
die de taak hebben toeristen te bewaken en hen de
illusie van totale veiligheid te geven. Voor een
fietser is dat beleid een bezoeking. In de Nijlvallei
tussen Aswan en Luxor geldt bijvoorbeeld een
konvooiplicht. Dat betekent dat ik de keus heb tussen
meerijden in een autokonvooi (gemiddelde snelheid 100
km/u), m,n fiets op een bus laden, of trachten de
talloze checkpoints te omzeilen. Ik kies voor de derde
oplossing. Dat gaat lang goed, tot in Luxor. Het
meeste verkeer verplaatst zich via de drukke hoofdweg
op de oostelijke oever van de Nijl, maar de westoever
is rustig, en vrijwel zonder politieposten. Ik fiets
langs heldergroene velden met bonen, graan en
dadelpalmen, langs treinwagons met pasgeoogst
suikerriet, en ezelkarren vol geurende uien.
Luxor Cairo
-------------
Vanaf Luxor slaat Big Brother Mubarak zonder mededogen
toe. Dat wil zeggen dat ik doorlopend word begeleid
door geüniformeerde agenten met kalashnikovs, of op
korte afstand gevolgd door opvallend onopvallende
informanten in burgerkleding die m,n gangen nagaan. In
de lobby en de lift van het hotel, tijdens het
ontbijt, op straat, wanneer ik de krant lees in een
café of een museum bezoek 24 uur per dag zijn er
snorren in de buurt die exact willen weten wat ik doe.
"Waarom ga je hier rechtsaf? "Ik heb zin in een
broodje falafel. "Waarom? "Omdat ik honger heb.
"Waarom eet je niet in het hotel? "Omdat dat geen
restaurant heeft. And if you don,t mind, just bugger
off, meathead, you,re waisting my time. "No speak
English. Het meest vervelende is dat ik ook tijdens
het fietsen word gevolgd, door een of twee blauwe
politieauto,s volgeladen met agenten. Met zwaailicht
en toeter maken ze elk contact met gewone Egyptenaren
onmogelijk, dwingen ze honden, kippen, zwangere
vrouwen en bakfietsen de berm in, en verjagen ze in
één moeite door m,n reisplezier.
|
En dat alles
in naam
van mijn "protection. Ik houd er het gevoel aan over
dat Egypte buiten vrolijke toeristenbubbels als Luxor
en Aswan een grauwe politiestaat is. Minder efficiënt
georganiseerd als de toenmalige DDR, maar even diep
ingrijpend in het leven van zijn burgers.
Cairo (I)
---------
Op maandag 26 april nader ik de omgeving van Cairo.
Als ik rond 12.30 uur in de schaduw van een moskee een
broodje zit te eten in Karanis, 60-70 km ten zuiden
van Giza, steekt er plotseling een sterke wind op.
Alles vliegt door de lucht zwerfvuil, woestijnzand,
gebedsmutsjes - en wel precies in de richting van
Cairo. Een haboob! Met mijn lunch nauwelijks achter de
kiezen spring ik op de fiets, hopend en biddend dat de
wind niet gaat liggen, of (erger nog) draaien. Voor
één keer wordt mijn gebed verhoord. Met ongekende
snelheden (40, 50, soms 55 km/uur) raas ik over een
rechte snelweg door de woestijn naar het noorden,
voortgejaagd door een zandstorm die m,n benen striemt
als ik even stilsta, en me de rest van de tijd het
gevoel geeft dat ik de Sterkste Renner Aller Tijden
ben. Dat is natuurlijk niet zo, een kinderlijke
fantasie. Maar ja, zelfs in het hoofd van een renner
die al een tijdje voorbij z,n Theoretische Topleeftijd
is (voor wielrenners: 27 jaar) komt die gedachte
vanzelf naar boven als je vrachtwagens en auto's
passeert.
Om 14:21 uur bereik ik de piramiden in
Giza.
Ik parkeer m,n fiets tegen het hek, tracteer mezelf op
een cola, en tracht m,n gevoelens te peilen. Ben ik
blij? Ja - maar gewoon blij, niet extatisch.
Opgelucht? Nee, waarom? Ik heb geen angst gekend sinds
ik mijn tocht begon. Ontroerd? Nee. Tevreden? Ja -
zoals een fotograaf tevreden is over een geslaagd
portret, of een wiskundige over de oplossing van een
moeilijk probleem. Ik sta aan de voet van de piramiden
zoals een bergbeklimmer op de top van de Everest. Je
kijkt een kwartier in de rondte, maakt wat foto,s, en
vervolgens pak je weer op omdat het zo verdraaid
slecht weer is. Het doel van mijn reis was niet het
bereiken van dit doel, maar de reis ernaar toe.
Cairo (II)
----------
Inmiddels zit ik al twee weken in Cairo, waar ik
logeer bij John, een Amerikaan die Engels geeft aan
Sudanese pubers, vluchtelingen van de burgeroorlog.
John is okee, al was het maar omdat hij al anderhalf
jaar dagelijks door verontwaardigde Arabieren wordt
aangesproken op de Amerikaanse invasie van Irak
zeker als daar, zoals afgelopen week bleek,
martelingen plaatsvinden. Niet gemakkelijk, maar John
staat iedereen begripvol en geduldig te woord. John is
ook okee omdat hij me gratis onderdak geeft zolang ik
nog niet hersteld ben van een buikinfectie die ik
ergens in Midden-Egypte heb opgelopen. "Your immune
system is alright. But our bugs are very strong!,
aldus een lachende Egyptische specialist in een
Caireens ziekenhuis. "Especially for foreigners. We
call it The Pharao,s Revenge! Hahaha!
Cairo (III)
-----------
Het is bijna half mei, tijd om uit Cairo te
vertrekken. Overdag klimt het kwik moeiteloos tot 40
graden, en hangt er een verstikkende smogdeken boven
de stad. s Nachts koelt het af, maar pas na 2.00 uur.
Over 3-4 dagen hoop ik voldoende te zijn aangesterkt
om richting de Sinaï-woestijn te rijden.
Waarschijnlijk in het gezelschap van Stefan, een
Zwitserse collega-langeafstandsfietser die ik bij
toeval tegenkwam in een winkel.
Voorbij Suez laten we Afrika definitief achter ons. Ik
weet nu al wat ik aan de overkant van het kanaal
tegenkom: een gevoel van spijt, van weemoed. Mama
Africa is goed voor me geweest, heel goed, en ik
hopelijk voor haar.
Nawoord
-------
Dit is mijn laatste lange reisverslag. De komende
maanden fiets ik nog wat uit via de Sinaï, Jordanië,
Syrië en Turkije. Ik zal af en toe een korte update
van die reis naar Nederland sturen, maar geen
verslagen meer van 2500 woorden. Afrika is mijn
grote liefde, en ik vrees dat ik simpelweg niet
voldoende liefde kan opbrengen voor het Midden-Oosten,
vandaar. Mag ik besluiten met een stichtelijk woord?
Ik hoop dat ik jullie, lezers van dit verhaal, het
afgelopen jaar heb geamuseerd en geïnformeerd. Zoals
ene George H.T. Kimble in 1951 schreef: "The darkest
thing about Africa has always been our ignorance of
it. Ik hoop dat ik met mijn tien verslagen niet
alleen de donkere kant van het oercontinent heb laten
zien, maar ook de lichte.
Hartelijk dank voor het lezen van mijn
verhalen. Tot
ziens in Nederland, ergens in het najaar!
Peter van de Beek
PS: Wil je geen updates ontvangen, stuur
me dan een
mailtje dat je graag van de verzendlijst wordt
afgevoerd. Houd het svp kort (knip dit verhaal dus
uit je reply!), anders crasht mijn mailbox.
|
|
Reisverslag van Peter van de Beek op zijn
Avaghon
laatste deel via
het voormalige Oostblok
|
|
Dag Philip,
Warme groet vanuit een winters Praag,
waar de sneeuwvlokken vanmiddag zo
groot waren als abrikozen. Het wordt kortom tijd dat ik doortrap
richting
Holland, en niet overal blijf hangen.
Tot over een paar weken, hartelijke
groet,
Peter
|
Tsjechië, 20 november
2004,
totale afstand 25273 km
Vrienden!
Vanuit een herfstig Praag zend ik
hierbij mijn tweede en voorlaatste korte
reis-update. Ditmaal niet vanuit een playstation-hal met schreeuwende
pubers en wolken tabaksrook, zoals te doen gebruikelijk in Turkije, maar
vanuit een warme Tsjechische huiskamer.
De afgelopen twee maanden, d.w.z. sinds
ik op 11 september Istanbul
verliet, hebben voor uw fietsende correspondent in het teken gestaan van
een hernieuwde kennismaking met Europa. Om precies te zijn met het
Nieuwe Europa, voorheen het Oostblok. Ik moet zeggen dat het af en toe
schrikken was, na ruim anderhalf jaar Afrika en Midden-Oosten. De schrik
bijvoorbeeld van een overweldigende hoeveelheid vlees, met name Bulgaars
vrouwenvlees, in de vorm van blote buiken, onderruggen met tattoo,s,
bloesjes met uitzicht tot Sofia en eindeloze benen op hoge hakken. Niet
ongewoon in Europa, wellicht. Maar na zeven maanden in Sudan en het
Midden-Oosten, waar je zelden meer van een vrouw ziet dan haar handen en
gezicht, en mannen en vrouwen alleen in één ruimte verblijven als 't
echt niet anders kan, is het toch vrij vreemd, al dat openbare vlees.
Temeer daar Bulgaarsen bezig lijken aan een inhaalrace westerse
blootcultuur die is opengesteld voor alle leeftijden en lichaamsvormen,
van jong en verrukkelijk tot oud en der dagen tamelijk zat. T went, maar
ik blijf het curieus vinden. Zelfs in zwart Afrika, waar je overal
vrouwen hun baby,s ziet zogen - op de markt, maar ook lopend langs de
kant van de weg met één kind op de heup, een tweede aan de borst, en een
jerrycan water op het hoofd is ingetogenheid de norm. Ik heb vele zwarte
vrouwenborsten gezien tussen Kaapstad en Addis Abeba. Per slot van
rekening baart de gemiddelde vrouw in een land als Kenia in haar leven
zes à zeven kinderen.
Maar de roklengte is altijd tot onder de knie.
Voor het overige viel Bulgarije me op
door de treurigmakende hoeveelheid dood en verval. (Bloot en dood op de
Balkan; was het maar een grap). In circa 14 dagen in Bulgarije heb ik
meer roestige wrakken, vuile rivieren, ingestorte fabrieken en verstopte
irrigatiekanalen gezien dan in de rest van mijn leven, vermoed ik. Voeg
daaraan toe dat Bulgaren hun sterfgevallen aanzeggen via affiches op
bomen en muren,
plattelandsjongeren en masse naar de stad verhuizen, en de slechte wegen
vele monumentjes kennen voor gesneuvelde automobilisten, en je wordt er
depressief van. Sterven, zo lijkt het, is in Bulgarije doodgewoon. Het
klopt nog ook. Volgens het lokale CBS is de Bulgaarse bevolking sinds
1989 met bijna twintig procent gekrompen.
Roemenië is daarentegen nog steeds een
van de leukste en kleurrijkste
landen van Europa. De wegen door de heuvels tellen weinig verkeer,
overal zijn boomgaarden en golvende akkers met hooibergjes in
wintermutsvorm, in elk dorp lopen gakkende ganzen of een eenzame koe
door de modder, en ter hoogte van de dorpspomp hangt een sfeer die doet
denken aan Noord-Brabant voor de oorlog. Vergeet ook de mensen niet;
hartelijk, eenvoudig, en vaak aangenaam verrast door de onverwachte gast
uit het verre Hollanda die vraagt of hij zijn tentje in de wei mag
opzetten. Het liefst verwennen ze je met zelfgemaakte kaas, melk,
eieren, paprika,s, druiven, tomaten, appels, een bord soep, warm eten,
en tot slot van de avond een kwart liter brandewijn, bij wijze van extra
deken. Dat laatste was nodig ook, want het was koud in Roemenië. Begin
oktober was het in Bukarest nog 20-25 graden.
Maar in Cluj-Napoca, aan de overkant van de Karpaten, waar de winden
vanuit de Ukraïne vrij spel hebben, was het een week later overdag
welgeteld 3 graden, bij windkracht 5 of daaromtrent. Dat is natuurlijk
vrij fris als je alleen zomerkleren bij je hebt.
Na een paar klappertanddagen heb ik
daarom maar een nieuwe wintergarderobe aangeschaft in de vorm van
bergsokken, een fleece-broek, een thermo-shirt, handschoenen, een jack
en een tube vette zalf. Ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat mijn
lichaam veranderd is door anderhalf jaar tropenwarmte, alsof de poriën
permanent openstaan. Voor ik uit Nederland vertrok had ik het zelden
koud.
|
Van Hongarije
herinner ik me vooral dat t er duur was, althans voor iemand die vanuit
armere streken als Turkije, Bulgarije en Roemenië het land in komt.
Hongarije lijkt goed op weg naar de status van een modern en rijk
EU-land, inclusief turbo-Audi,s, design T-shirts à 50 euro en
cappuccini in de orde van 3 euro. Mijn hemel, wat was dat schrikken, al
die westerse weelde en aanverwante prijzen (2 tot 5 keer hoger dan aan
de andere kant van de grens). Maar misschien was mijn beeld van
Hongarije ook enigszins verkleurd door de herinnering aan 1987, toen ik
met mijn toenmalige liefde F. door het land toerde. In de goede oude
Oostbloktijd kostte een voedzaam diner voor twee wel 8 gulden, en een
zak boodschappen iets soortgelijks. Aan het eind van de vakantie
kreunden onze fietsen onder het gewicht van 25 langspeelplaten van
Bartok en Liszt, aanschafprijs 3 gulden per stuk. We waren arm, beiden
nog student, maar niet ongelukkig. Zeker niet tussen de paprika,s en de
poesta,s.
Eind oktober trok ik ten
noordoosten van Budapest de grens met Slowakije over, op weg naar de
Lage Tatra, de Hoge Tatra en de Mala Fatra. Ik heb ze gezien, die
nationale parken met hun befaamde kloven en bergtoppen, maar alleen op
momenten dat er geen sprake was van nevel, dikke wolken of mist
overgaand in regen.
Al met al had ik vooral in de Hoge Tatra tussen de bergwandelingen door
genoeg tijd om de verkiezingen in de VS te volgen, alsmede de moord op
Theo van Gogh. Ik ben nooit een fan van Van Gogh geweest, ook al maakte
hij goede films. In mijn ogen was hij vooral een racist met een grote
bek en een puberale honger naar aandacht die er niet tegenop zag om
minachting en haat te zaaien. Geen durfal-debater die de grenzen van de
politieke correctheid aftastte, maar eerder een verbale hooligan. Zeg
maar een moderne Nederlander naar LPF-model. Het verbaasde me dan ook
niet toen ik via de Wereldomroep hoorde dat Van Gogh was gedood door
"een man met een lange baard in islamitische kleding (details over de
aanslag, zoals de wreedheid ervan, waren toen nog niet bekend). Wie is
de volgende?, dacht ik. En is het nog wel leuk om terug te keren naar
Nederland, dat ooit zo bedaagde, veilige, open en liberale landje dat de
laatste jaren worstelt met een epidemie van geweld (al dan niet zinloos)
en intolerantie? Kunnen moslims en niet-moslims in Nederland ooit
frictieloos samenleven met kennis van en begrip voor elkaars cultuur? Na
zeven maanden in islamitische landen als Egypte en Turkije ben ik
eerlijk gezegd sceptisch. Geïnformeerd en verlicht denken met
respect voor christenen, vrouwen, westerlingen, homo,s, alleenstaanden
et cetera is daar toch net zo bijzonder als een hittegolf in Nederland -
t komt voor, maar reken er niet op. Wat overigens niet wil zeggen dat de
doorsnee-moslim gewelddadig is. Integendeel. Wat betreft zinloos geweld,
bedreiging, agressief gedrag en dergelijke heb ik landen als Noord-Sudan,
Syrië en Turkije als veiliger ervaren dan Nederland.
Inmiddels bevind ik me in de Tsjechische
hoofdstad Praag, waar ik sinds een week logeer bij een Tsjech die ik
begin juni tegenkwam in Jordanië (dat is het leuke van een lange
fietsreis: veel mensen nodigen je uit om langs te komen, nieuwsgierig
als ze zijn naar spannende verhalen). Vier dagen geleden was het nog
droog in Praag, een dag later miezerde het, eergisteren hadden we regen,
gisteren stormde het en vanochtend viel de eerste sneeuw. Kortom, ik
geloof dat dit een teken is om verder te trekken, en wel via Dresden,
Gera, Suhl, Frankfurt-Main, Koblenz en het Ruhrgebied.
Ijs en weder dienende verwacht ik over
een week of 3 thuis te zijn. Met nog immer die knagende vraag in het
hoofd - is het wel zo leuk om in Nederland te leven?
Na shledanou,
Peter van de Beek
Vrienden!
Hierbij een hartelijke
groet vanuit een koud en bewolkt Mainz (2 graden),
midden-Duitsland, waar ik logeer bij mijn Utrechtse fietsvriend Richard,
tegenwoordig post-doc aan de universiteit alhier. Sinds mijn laatste
reisupdate, vanuit Praag, heb ik Duitsland van oost naar west
doorkruist,
grotendeels via de voormalige DDR. Het was grauw en ijskoud, met
miezerbuien overgaand in sneeuw, en soms zo glad dat ik moeite had om
niet
onderuit te gaan, maar dat waren dan ook de enige problemen. Verdere
details geloven jullie wel, tenslotte is Duitsland voor de meesten
bekend
terrein.
Aanstaande zaterdag, 11
december verwacht ik terug te zijn in Utrecht. Insh,allah rijd ik om
14.00 uur het Domplein op, hopelijk recht in de armen van alle mensen
die ik de afgelopen 21 maanden heb gemist.
|
|