Reisverslag nr 8
Khartoum, Sudan
Khartoum, Sudan, 26 februari 2004, totaal
14.822 km
---------------------------------------------------
Vrienden!
Vanuit een stoffig, heet Khartoum (38
graden) stuur ik
hierbij het achtste verslag van mijn fietsreis door
Afrika. Het wordt weer een uitzending van Goede Tijden
Slechte Tijden, ben ik bang. In deze aflevering:
diefstal en geweld, haat en vriendschap, een warme
omhelzing, buikpijn en voetbal, en melk uit Holland.
Wat vooraf ging
---------------
In de vorige aflevering was ik zojuist aangekomen in
Arba Minch, ZW-Ethiopie, na een tocht via Lake Turkana
(Kenia) en een onprettig oponthoud aan de Ethiopische
grens. In dit verslag: de etappe van Arba Minch via
Addis Abeba naar Khartoum in Sudan.
Arba Minch-Addis Abeba-Gondar
-----------------------------
Het kost me, merk ik, moeite om onbevangen en
objectief
terug te denken aan de 7 weken die ik in
Ethiopie heb doorgebracht. Dagenlang heb ik opgezien
tegen het schrijven van deze mail. Het liefst
zou ik Ethiopie willen vergeten, uitwissen uit mijn
geheugen. Niet vanwege de landschappen - die zijn
mooi. Ook niet vanwege de religieuze kunst - weinig
landen kunnen bogen op zo'n indrukwekkend cultureel
erfgoed. Zonder inwoners is Ethiopie een paradijs.
Maar ja, die mensen. Nooit ben ik een volk
tegengekomen dat in korte tijd zo veel negatieve
gevoelens bij me wist los te maken: ergernis, afschuw,
onverschilligheid, woede en soms angst.
Maar wat is er dan mis met die mensen? Laat
ik een dag
beschrijven, 25 december, geen feestdag. Uit mijn
reisjournaal: "Om
7.30 uur weg uit Sodo, lange klim in de ochtendkou.
Goede fietsomstandigheden, droog, onbewolkt, weinig
wind. Iets buiten de stad een paar honderd lila
uniformen, jongeren op weg naar de secondary school.
Breed uitwaaierend nemen ze de hele weg in beslag, op
een nauwe doorgang na, als in een bergetappe in de
Tour. Auto's toeteren, fietsers stoppen, zelf rijd ik
stapvoets langs de pubermassa, behoedzaam
manoeuvrerend om niemand te raken. Twee meisjes
plukken aan m'n shirt, ik reageer niet. Een jongen
brult "Youyouyou!", een ander "Give me money!, weer
een ander "Fuck you, motherfucker!" - woorden,
woorden,
vrijwel de complete schat aan Engels waarover een
hoog opgeleide Ethiopische jongere beschikt. Ik laveer
om een groepje heen dat als een voetbalmuurtje over
straat gaat. Zelf vinden ze het reuzegrappig, en ik
grimlach terug. Niet laten provoceren. Trouwens, het
is nog te vroeg om me te ergeren. Tussen de middag een
dorp waar een jongen me achterna rent en een fles
water probeert te stelen. Ik geef hem een hengst met
mijn stok, de jongen grijpt naar zijn hoofd, z'n
vrienden
lachen. 's Avonds in Aje, een bergdorp waar een man me
drie uur lang als een schaduw achtervolgt, tot in de
wc van mijn hotel, hopend op gratis bier en dito eten.
Hij is stoned van een middag qat kauwen, z'n gebit
ziet
groen van de bladerpulp. Het heeft geen zin om de
man weg te sturen, zijn geest leeft op een andere
planeet dan de mijne. Het enige wat hij op dit moment
kan is druk praten."
"Wel, is dat alles?", zal de lezer zeggen.
"Wat
opgewonden pubers en een opdringerige volwassene? Het
is toch algemeen bekend dat Ethiopie een arm land is?
Een woestijn vol sloebers die vechten tegen de honger?
Waar, westers fietsertje, maak je je dan druk om?"
Het probleem is dat het beeld niet klopt.
Beter
gezegd: onvolledig is. Ethiopie is een land van
vreemde, bijna perverse tegenspraken, als ik het vlug
samenvat. Je ziet inderdaad veel bedelaars -
kinderen, bejaarden, kreupelen en lepralijders, ga zo
maar door. Maar ook de hotelportier en de snelle
jongen met z'n dure merkkleding steken hun hand uit
naar de westerling. In 2003 leefden
13 miljoen Ethiopiers (1 op de 5) van internationale
voedselhulp. Doch het eerste wat je ziet in een
willekeurig provinciestadje is een markt vol
zongerijpt fruit. Twee straten verderop, tussen de
juweliers en de telecomwinkels, vind je uitstekende
cappuccinocafe's met vers gebak. Het is er altijd
druk, niet met happy few, maar met gewone Ethiopiers
die wachten op de bus. Een groot deel van het
platteland is uiterst vruchtbaar - toch kan Ethiopie
zichzelf niet voeden. Het land loopt over van de
rivieren en andere waterbronnen - maar er is sprake
van chronische droogte. Raadsels, frustrerende
raadsels. Maar geen raadsels waar je als passant, als
faranji (= buitenlander), per se mee hoeft te
worstelen, toch?
Er is echter nog een andere tegenspraak. Ethiopie is
een diep-religieus land, met een dominante rol voor de
Ethiopische versie van orthodox christendom, de
staatsgodsdienst sinds het begin van de vierde
eeuw(!).
Het ritselt er van de orthodoxe kloosters en kerken,
elk dorpje heeft een kapel, er gaat geen maand voorbij
zonder religieus festival, en met Kerst (7 januari)
gaan zelfs de talrijke prostituees van Addis gekleed
in kuise witte gewaden. Hoe komt het dan toch dat je
als faranji vrijwel elke dag wordt lastiggevallen?
Uitgescholden, agressief benaderd, bestolen, bekogeld
met stenen, bedrogen met wisselgeld? Waar staat in de
Schrift dat hele schoolklassen een vreemdeling op een
fiets moeten sarren en achtervolgen, onder het oog van
lachende ouders? Ik heb het meerdere keren gevraagd
aan Ethiopiers die wat Engels beheersten. "Nee, dat is
niet goed", luidde dan het antwoord. Waarna doorgaans
een blame game volgde. "Het ligt aan de regering."
"Nee, aan de armoede." "Het is de tijdgeest." "En
vergeet de oorlog met Eritrea niet." "Aha. Nu begrijp
ik waarom een jongen van 12 me bespuwt. De regering!
Armoede! Eritrea! Zelf dacht ik eerder aan falend
ouderschap en schaamteloze haat tegen buitenlanders."
"Misschien heb je gelijk. Maar mij treft geen schuld,
ik voel me niet verantwoordelijk." "Jaja. Wie wel? Is
dat niet de kern van het probleem - dat niemand
verantwoordelijkheid neemt voor zijn eigen gedrag en
dat van z'n kinderen?"
Wat is er toch mis met Ethiopie? Voor ik die
vraag
durfde te stellen heb ik eerst mezelf tegen het licht
gehouden. Ik kwam niet verder dan de bekende slechte
trekken: moeite met hierarchie, eigenwijsheid,
ongeduld, nervositeit, een zekere onaangepastheid in
het sociale verkeer, gebrek aan zelfvertrouwen. Is dat
voldoende om dagelijks met zinloos (verbaal) geweld te
worden behandeld? Ik dacht van niet. Maar wat is er
dan
mis met Ethiopie? Lastige vraag. Ik heb geleerd het
antwoord niet meer te verwachten van een sociale
cultuur waarin afwachten, zwijgen en ontkennen de norm
zijn. Frustrerend, heel frustrerend.
Intermezzo Coen
---------------
Was 't dan alleen maar vervelend, daar in Ethiopie?
Gelukkig niet. Op 5 januari haal ik vriend Coen op op
het vliegveld van Addis Abeba. Hoewel we elkaar ruim
10 maanden niet hebben gezien, klikt het al weer in de
taxi terug naar het hotel. Dezelfde grappen, dezelfde
gewoonten, dezelfde interesse voor geschiedenis, alles
is anders maar niets is veranderd. Een heerlijk
gevoel,
alsof ik tijdelijk thuiskom. Twee weken
trekken we door het land, liftend en bussend,
beschouwend en lachend, zoals we eerder samen
reisden door een handvol andere landen. Als ik Coen de
20ste weer aflever op de luchthaven, voel ik me niet
eenzaam, wel katterig. Als op de ochtend na een
geslaagd feest, alleen met een stapel afwas.
|
Grens met Sudan
---------------
Op vrijdag 5 februari rijd ik bij Metema de grens over
met Sudan, de grote leegte in. Geen idee wat me te
wachten staat. Er bestaan geen reisgidsen van Sudan,
met slechts 1000 toeristen per jaar is er geen markt
voor een Lonely Planet. De schaarse kennis die ik heb
komt neer op de volgende fragmenten: decennialange
burgeroorlog tussen het islamitische noorden en het
christelijk/animistische zuiden (maar er is nu een
wapenstilstand); grootste land van Afrika, 60 x het
formaat van Nederland; dunbevolkt (30 miljoen mensen);
woestijnig en warm in het noordoosten, het kwadrant
waar ik doorheen wil; Osama woonde een tijd in
Khartoum; sluimerende problemen in Darfur, langs de
grens met Chad; pyramiden bij Meroe; en, oh ja, "de
aardigste mensen die je ooit hebt ontmoet", aldus
westerse tegenliggers.
Uit mijn
reisjournaal: "Glooiende heuvels, wind schuin
tegen, matig gravel, schel licht. Na 11 km bereik ik
het eerste Sudanese dorp, een groepje hutten in de
schaduw van een boom. Wat winkeltjes, of eigenlijk
meer tafels met grauwe zeep, suiker, thee, tomaten,
uien, koffiebonen en grofgehakt vlees. Onder afdakken
van hout en riet zitten mannen in witte djellaba's en
vrouwen in kleurige omslagdoeken met lichte sluiers.
De meeste gezichten zijn zeer donker, koffiebruin,
ronder en Afrikaanser dan in Ethiopie. De mannen
zwaaien naar me en kloppen op een leeg touwbed. "Come
here, mister, have a rest." Ik draai van de weg af en
groet in het Arabisch, "salam aleikum". "Wa aleikum
as-salam!", klinkt het enthousiast. Een oudere man
staat op van z'n bed, loopt zwijgend op me toe, pakt
me bij de schouders, en omhelst me dan met alle
hartelijkheid die hij in zich heeft. "Afwan, welcome!"
Ik krijg een vlies van tranen achter mijn zonnebril -
oei, dit voelt goed, bijna te goed. Eindelijk weer
terug in de warme menselijkheid genaamd Afrika. Wat
een contrast met de afgelopen weken. Ik hoop dat het
maatgevend is voor de rest van Sudan."
Dat is het. Na een paar dagen in Sudan
begint zich in
mijn hoofd vast te zetten dat ik nog nooit zulke
zachtmoedige, vriendelijke, gastvrije mensen heb
ontmoet. Okee, ze vragen me het hemd van het lijf,
daarvoor zijn het Afrikanen. Ik kan geen
politie-post of pompstation passeren zonder een
uitgebreid diepte-interview. "Waarom reis je alleen?",
"Waarom niet met de auto?","Hoe bevalt Sudan?", "Waar
is je vrouw?" en "Hoeveel kinderen heb je?". Maar
altijd gaat het even beleefd en joviaal, vergezeld van
wat vriendelijkheden over Holland ("Lekkere melk!") en
een aangename zorgzaamheid ("Rust wat uit, je bent
vast moe. Wil je thee? Wees mijn gast"). Nee zeggen
mag. En niemand stoort zich eraan als je na enige tijd
antwoordt: "Nu wil ik even alleen zijn. Lunchen in de
schaduw en naar het BBC-nieuws luisteren." "Of course,
take your time. Call me if you need any help."
"Shukran." "Afwan."
Gedaref
-------
Op zondag 8 februari bereik ik Gedaref, een
middelgrote stad aan de asfaltweg Khartoum - Port
Sudan. Ik neem een kamer in het Amir Hotel, een
bejaard gebouw met stoffige kamers en reutelende
douches, niet goedkoop (9 dollar), maar middenin het
centrum en aangenaam koel. Na 750 ononderbroken
kilometers van stof, stenen, kuilen en zand is mijn
lichaam moe. Daarnaast heb ik al dagen buikpijn,
waarschijnlijk nog een erfenis van de weerzinwekkende
Ethiopische hygiene. En ja hoor, 's nachts komen de
microben in opstand, een maagdarminfectie waar ik
alleen vanaf kom met sterke antibiotica. Ik doezel een
paar dagen, en studeer tijdens heldere momenten in
John Reader's "Africa, A Biography of the Continent",
zware kost, maar een boek met tal van oorspronkelijke
hypothesen en inzichten m.b.t. Afrika en haar
problemen.
Drie dagen later ben ik voldoende hersteld
voor een
wandeling naar de schoenlapper. Terwijl de schoenenman
op straat mijn fietssandalen naait, alles met de hand,
raak ik in gesprek met een leraar Engels. Walid is 30,
ongetrouwd, en heeft linguistiek gestudeerd in
Kassala. Belangrijker is evenwel dat Walid weet waar
vanavond een kleuren-tv staat die ook echt werkt. Niet
een kwartiertje met veel gesputter,
maar de volle speeltijd van Nigeria-Tunesie, halve
finale van de Africa Cup of Nations.
En zo zit ik die
avond op een versleten draadstoel in de Teacher's Club
van Gedaref, Sudan, als enige pet tussen dertig
tulbanden. Uit mijn dagboek: "De Teacher's Club is een
gebouw dat voornamelijk uit dak bestaat, met hier en
daar een muurtje ter ondersteuning. Een lekker
luchtige constructie voor warme zomerdagen. Het is nu
winter in Sudan, verezekeren de buren me, en met 20-25
graden rond zonsondergang bepaald fris. Ik ervaar dat
zelf anders. Na weer een dag van droge hitte (35-38
graden) ben ik blij als het 's avonds afkoelt. De
wedstrijd is spannend, maar het spelpeil zozo. Beide
teams missen een afmaker, het regent verprutste
kansen. Maar dit is Afrika, dus
er is altijd nog een tweede spektakel, het leven naast
de match. Iedereen praat luid terug tegen de
commentator, af en toe loopt de thee-man het snoer uit
het stopcontact (goedmoedig gezucht), drie keer valt
langdurig de verbinding met Tunis weg (minutenlang
concentreren we ons op een leeg scherm), en kort voor
rust verdwijnt ineens tweederde van de toeschouwers.
Okee, denk ik, de wedstrijd valt tegen, ik begrijp dat
je eerder naar huis wilt. Maar waarom niet even tot de
pauze gewacht? Vergissing. De mannen groeperen zich op
een pleintje op een lange mat onder een boom, en
verzinken in hun avondgebed. Een wonderlijk tafereel,
die rust en contemplatie op gezichten die nog kort
ervoor rood aanliepen van een mislukte een-twee of een
overzeilende voorzet. Na 120 minuten ploeteren eindigt
de strijd in 1-1; Tunesie wint na strafschoppen.
Iedereen tevreden, want de Arabisch sprekende
moslimbroeders hebben gezegevierd."
Khartoum
--------
Op woensdag 18 februari, dag 355, bereik ik de
Sudanese hoofdstad, Khartoum, waar ik me begeef op een
lange mars langs traag draaiende ambtelijke
instellingen. Aanmelding als buitenlander bij het
Aliens Registration Office: 2 bezoeken, totaal 1
dagdeel in de rij. Verlenging van mijn visum: 3
bezoeken, 3 dagdelen. Daarna naar het Egyptische
consulaat,
ook voor een visum: 5 bezoeken, 3 dagdelen.
Tussendoor een foto-vergunning, travel permit en
toestemming om de pyramiden te bezichtigen: 2
bezoeken, 1 dagdeel. Alles gegarneerd met visites aan
de copyshop en de pasfotoman. Sudan is een heerlijk
land om in te reizen, bedenk ik in de rij voor de
zoveelste balie, maar die burocratie is slopend.
Maar ach, wat zeur ik nou? Op een avond lees
ik in het
nieuwsarchief van bbcnews.com dat er sinds kort weer
problemen zijn in
Darfur, West-Sudan. Honderden doden,
vluchtelingenstromen richting Chad, voedseldroppings,
door de regering gesteunde milities die schieten op
burgers. Niets van gemerkt. De kranten (voor zover
verkrijgbaar) kan ik niet lezen, tv's zijn schaars, de
winkels liggen vol, en niemand in dit deel van het
land praat over het conflict in het westen. Ook dat is
Sudan.
Ma'is salaama,
Peter van de Beek
PS1: John Reader, "Africa, A Biography of
the
Continent", Penguin Books 1998, ISBN 0-140-26675-5.
PS2: vorige afleveringen zijn nog steeds
terug te
lezen via www.avaghon.nl
|