Peter van Beek op zijn Avaghon in Sudan

Een verslag over de ervaringen van Peter is verschenen in het blad OP PAD nr 2/2004 en ook in de Afrika SPECIAL nr 8/2004.

 

 

 

 

 

 

 

 

Reisverslag nr 8
Khartoum, Sudan

Khartoum, Sudan, 26 februari 2004, totaal 14.822 km
---------------------------------------------------

Vrienden!

Vanuit een stoffig, heet Khartoum (38 graden) stuur ik
hierbij het achtste verslag van mijn fietsreis door
Afrika. Het wordt weer een uitzending van Goede Tijden
Slechte Tijden, ben ik bang. In deze aflevering:
diefstal en geweld, haat en vriendschap, een warme
omhelzing, buikpijn en voetbal, en melk uit Holland.

Wat vooraf ging
---------------
In de vorige aflevering was ik zojuist aangekomen in
Arba Minch, ZW-Ethiopie, na een tocht via Lake Turkana
(Kenia) en een onprettig oponthoud aan de Ethiopische
grens. In dit verslag: de etappe van Arba Minch via
Addis Abeba naar Khartoum in Sudan.

Arba Minch-Addis Abeba-Gondar
-----------------------------
Het kost me, merk ik, moeite om onbevangen en
objectief
terug te denken aan de 7 weken die ik in
Ethiopie heb doorgebracht. Dagenlang heb ik opgezien
tegen het schrijven van deze mail. Het liefst
zou ik Ethiopie willen vergeten, uitwissen uit mijn
geheugen. Niet vanwege de landschappen - die zijn
mooi. Ook niet vanwege de religieuze kunst - weinig
landen kunnen bogen op zo'n indrukwekkend cultureel
erfgoed. Zonder inwoners is Ethiopie een paradijs.
Maar ja, die mensen. Nooit ben ik een volk
tegengekomen dat in korte tijd zo veel negatieve
gevoelens bij me wist los te maken: ergernis, afschuw,
onverschilligheid, woede en soms angst.

Maar wat is er dan mis met die mensen? Laat ik een dag
beschrijven, 25 december, geen feestdag. Uit mijn
reisjournaal: "Om
7.30 uur weg uit Sodo, lange klim in de ochtendkou.
Goede fietsomstandigheden, droog, onbewolkt, weinig
wind. Iets buiten de stad een paar honderd lila
uniformen, jongeren op weg naar de secondary school.
Breed uitwaaierend nemen ze de hele weg in beslag, op
een nauwe doorgang na, als in een bergetappe in de
Tour. Auto's toeteren, fietsers stoppen, zelf rijd ik
stapvoets langs de pubermassa, behoedzaam
manoeuvrerend om niemand te raken. Twee meisjes
plukken aan m'n shirt, ik reageer niet. Een jongen
brult "Youyouyou!", een ander "Give me money!, weer
een ander "Fuck you, motherfucker!" - woorden,
woorden,
vrijwel de complete schat aan Engels waarover een
hoog opgeleide Ethiopische jongere beschikt. Ik laveer
om een groepje heen dat als een voetbalmuurtje over
straat gaat. Zelf vinden ze het reuzegrappig, en ik
grimlach terug. Niet laten provoceren. Trouwens, het
is nog te vroeg om me te ergeren. Tussen de middag een
dorp waar een jongen me achterna rent en een fles
water probeert te stelen. Ik geef hem een hengst met
mijn stok, de jongen grijpt naar zijn hoofd, z'n
vrienden
lachen. 's Avonds in Aje, een bergdorp waar een man me
drie uur lang als een schaduw achtervolgt, tot in de
wc van mijn hotel, hopend op gratis bier en dito eten.
Hij is stoned van een middag qat kauwen, z'n gebit
ziet
groen van de bladerpulp. Het heeft geen zin om de
man weg te sturen, zijn geest leeft op een andere
planeet dan de mijne. Het enige wat hij op dit moment
kan is druk praten."

"Wel, is dat alles?", zal de lezer zeggen. "Wat
opgewonden pubers en een opdringerige volwassene? Het
is toch algemeen bekend dat Ethiopie een arm land is?
Een woestijn vol sloebers die vechten tegen de honger?
Waar, westers fietsertje, maak je je dan druk om?"

Het probleem is dat het beeld niet klopt. Beter
gezegd: onvolledig is. Ethiopie is een land van
vreemde, bijna perverse tegenspraken, als ik het vlug
samenvat. Je ziet inderdaad veel bedelaars -
kinderen, bejaarden, kreupelen en lepralijders, ga zo
maar door. Maar ook de hotelportier en de snelle
jongen met z'n dure merkkleding steken hun hand uit
naar de westerling. In 2003 leefden
13 miljoen Ethiopiers (1 op de 5) van internationale
voedselhulp. Doch het eerste wat je ziet in een
willekeurig provinciestadje is een markt vol
zongerijpt fruit. Twee straten verderop, tussen de
juweliers en de telecomwinkels, vind je uitstekende
cappuccinocafe's met vers gebak. Het is er altijd
druk, niet met happy few, maar met gewone Ethiopiers
die wachten op de bus. Een groot deel van het
platteland is uiterst vruchtbaar - toch kan Ethiopie
zichzelf niet voeden. Het land loopt over van de
rivieren en andere waterbronnen - maar er is sprake
van chronische droogte. Raadsels, frustrerende
raadsels. Maar geen raadsels waar je als passant, als
faranji (= buitenlander), per se mee hoeft te
worstelen, toch?

Er is echter nog een andere tegenspraak. Ethiopie is
een diep-religieus land, met een dominante rol voor de
Ethiopische versie van orthodox christendom, de
staatsgodsdienst sinds het begin van de vierde
eeuw(!).
Het ritselt er van de orthodoxe kloosters en kerken,
elk dorpje heeft een kapel, er gaat geen maand voorbij
zonder religieus festival, en met Kerst (7 januari)
gaan zelfs de talrijke prostituees van Addis gekleed
in kuise witte gewaden. Hoe komt het dan toch dat je
als faranji vrijwel elke dag wordt lastiggevallen?
Uitgescholden, agressief benaderd, bestolen, bekogeld
met stenen, bedrogen met wisselgeld? Waar staat in de
Schrift dat hele schoolklassen een vreemdeling op een
fiets moeten sarren en achtervolgen, onder het oog van
lachende ouders? Ik heb het meerdere keren gevraagd
aan Ethiopiers die wat Engels beheersten. "Nee, dat is
niet goed", luidde dan het antwoord. Waarna doorgaans
een blame game volgde. "Het ligt aan de regering."
"Nee, aan de armoede." "Het is de tijdgeest." "En
vergeet de oorlog met Eritrea niet." "Aha. Nu begrijp
ik waarom een jongen van 12 me bespuwt. De regering!
Armoede! Eritrea! Zelf dacht ik eerder aan falend
ouderschap en schaamteloze haat tegen buitenlanders."
"Misschien heb je gelijk. Maar mij treft geen schuld,
ik voel me niet verantwoordelijk." "Jaja. Wie wel? Is
dat niet de kern van het probleem - dat niemand
verantwoordelijkheid neemt voor zijn eigen gedrag en
dat van z'n kinderen?"

Wat is er toch mis met Ethiopie? Voor ik die vraag
durfde te stellen heb ik eerst mezelf tegen het licht
gehouden. Ik kwam niet verder dan de bekende slechte
trekken: moeite met hierarchie, eigenwijsheid,
ongeduld, nervositeit, een zekere onaangepastheid in
het sociale verkeer, gebrek aan zelfvertrouwen. Is dat
voldoende om dagelijks met zinloos (verbaal) geweld te
worden behandeld? Ik dacht van niet. Maar wat is er
dan
mis met Ethiopie? Lastige vraag. Ik heb geleerd het
antwoord niet meer te verwachten van een sociale
cultuur waarin afwachten, zwijgen en ontkennen de norm
zijn. Frustrerend, heel frustrerend.

Intermezzo Coen
---------------
Was 't dan alleen maar vervelend, daar in Ethiopie?
Gelukkig niet. Op 5 januari haal ik vriend Coen op op
het vliegveld van Addis Abeba. Hoewel we elkaar ruim
10 maanden niet hebben gezien, klikt het al weer in de
taxi terug naar het hotel. Dezelfde grappen, dezelfde
gewoonten, dezelfde interesse voor geschiedenis, alles
is anders maar niets is veranderd. Een heerlijk
gevoel,
alsof ik tijdelijk thuiskom. Twee weken
trekken we door het land, liftend en bussend,
beschouwend en lachend, zoals we eerder samen
reisden door een handvol andere landen. Als ik Coen de
20ste weer aflever op de luchthaven, voel ik me niet
eenzaam, wel katterig. Als op de ochtend na een
geslaagd feest, alleen met een stapel afwas.

Grens met Sudan
---------------
Op vrijdag 5 februari rijd ik bij Metema de grens over
met Sudan, de grote leegte in. Geen idee wat me te
wachten staat. Er bestaan geen reisgidsen van Sudan,
met slechts 1000 toeristen per jaar is er geen markt
voor een Lonely Planet. De schaarse kennis die ik heb
komt neer op de volgende fragmenten: decennialange
burgeroorlog tussen het islamitische noorden en het
christelijk/animistische zuiden (maar er is nu een
wapenstilstand); grootste land van Afrika, 60 x het
formaat van Nederland; dunbevolkt (30 miljoen mensen);
woestijnig en warm in het noordoosten, het kwadrant
waar ik doorheen wil; Osama woonde een tijd in
Khartoum; sluimerende problemen in Darfur, langs de
grens met Chad; pyramiden bij Meroe; en, oh ja, "de
aardigste mensen die je ooit hebt ontmoet", aldus
westerse tegenliggers.

Uit mijn reisjournaal: "Glooiende heuvels, wind schuin
tegen, matig gravel, schel licht. Na 11 km bereik ik
het eerste Sudanese dorp, een groepje hutten in de
schaduw van een boom. Wat winkeltjes, of eigenlijk
meer tafels met grauwe zeep, suiker, thee, tomaten,
uien, koffiebonen en grofgehakt vlees. Onder afdakken
van hout en riet zitten mannen in witte djellaba's en
vrouwen in kleurige omslagdoeken met lichte sluiers.
De meeste gezichten zijn zeer donker, koffiebruin,
ronder en Afrikaanser dan in Ethiopie. De mannen
zwaaien naar me en kloppen op een leeg touwbed. "Come
here, mister, have a rest." Ik draai van de weg af en
groet in het Arabisch, "salam aleikum". "Wa aleikum
as-salam!", klinkt het enthousiast. Een oudere man
staat op van z'n bed, loopt zwijgend op me toe, pakt
me bij de schouders, en omhelst me dan met alle
hartelijkheid die hij in zich heeft. "Afwan, welcome!"
Ik krijg een vlies van tranen achter mijn zonnebril -
oei, dit voelt goed, bijna te goed. Eindelijk weer
terug in de warme menselijkheid genaamd Afrika. Wat
een contrast met de afgelopen weken. Ik hoop dat het
maatgevend is voor de rest van Sudan."

Dat is het. Na een paar dagen in Sudan begint zich in
mijn hoofd vast te zetten dat ik nog nooit zulke
zachtmoedige, vriendelijke, gastvrije mensen heb
ontmoet. Okee, ze vragen me het hemd van het lijf,
daarvoor zijn het Afrikanen. Ik kan geen
politie-post of pompstation passeren zonder een
uitgebreid diepte-interview. "Waarom reis je alleen?",
"Waarom niet met de auto?","Hoe bevalt Sudan?", "Waar
is je vrouw?" en "Hoeveel kinderen heb je?". Maar
altijd gaat het even beleefd en joviaal, vergezeld van
wat vriendelijkheden over Holland ("Lekkere melk!") en
een aangename zorgzaamheid ("Rust wat uit, je bent
vast moe. Wil je thee? Wees mijn gast"). Nee zeggen
mag. En niemand stoort zich eraan als je na enige tijd
antwoordt: "Nu wil ik even alleen zijn. Lunchen in de
schaduw en naar het BBC-nieuws luisteren." "Of course,
take your time. Call me if you need any help."
"Shukran." "Afwan."

Gedaref
-------
Op zondag 8 februari bereik ik Gedaref, een
middelgrote stad aan de asfaltweg Khartoum - Port
Sudan. Ik neem een kamer in het Amir Hotel, een
bejaard gebouw met stoffige kamers en reutelende
douches, niet goedkoop (9 dollar), maar middenin het
centrum en aangenaam koel. Na 750 ononderbroken
kilometers van stof, stenen, kuilen en zand is mijn
lichaam moe. Daarnaast heb ik al dagen buikpijn,
waarschijnlijk nog een erfenis van de weerzinwekkende
Ethiopische hygiene. En ja hoor, 's nachts komen de
microben in opstand, een maagdarminfectie waar ik
alleen vanaf kom met sterke antibiotica. Ik doezel een
paar dagen, en studeer tijdens heldere momenten in
John Reader's "Africa, A Biography of the Continent",
zware kost, maar een boek met tal van oorspronkelijke
hypothesen en inzichten m.b.t. Afrika en haar
problemen.

Drie dagen later ben ik voldoende hersteld voor een
wandeling naar de schoenlapper. Terwijl de schoenenman
op straat mijn fietssandalen naait, alles met de hand,
raak ik in gesprek met een leraar Engels. Walid is 30,
ongetrouwd, en heeft linguistiek gestudeerd in
Kassala. Belangrijker is evenwel dat Walid weet waar
vanavond een kleuren-tv staat die ook echt werkt. Niet
een kwartiertje met veel gesputter,
maar de volle speeltijd van Nigeria-Tunesie, halve
finale van de Africa Cup of Nations.

En zo zit ik die
avond op een versleten draadstoel in de Teacher's Club
van Gedaref, Sudan, als enige pet tussen dertig
tulbanden. Uit mijn dagboek: "De Teacher's Club is een
gebouw dat voornamelijk uit dak bestaat, met hier en
daar een muurtje ter ondersteuning. Een lekker
luchtige constructie voor warme zomerdagen. Het is nu
winter in Sudan, verezekeren de buren me, en met 20-25
graden rond zonsondergang bepaald fris. Ik ervaar dat
zelf anders. Na weer een dag van droge hitte (35-38
graden) ben ik blij als het 's avonds afkoelt. De
wedstrijd is spannend, maar het spelpeil zozo. Beide
teams missen een afmaker, het regent verprutste
kansen. Maar dit is Afrika, dus
er is altijd nog een tweede spektakel, het leven naast
de match. Iedereen praat luid terug tegen de
commentator, af en toe loopt de thee-man het snoer uit
het stopcontact (goedmoedig gezucht), drie keer valt
langdurig de verbinding met Tunis weg (minutenlang
concentreren we ons op een leeg scherm), en kort voor
rust verdwijnt ineens tweederde van de toeschouwers.
Okee, denk ik, de wedstrijd valt tegen, ik begrijp dat
je eerder naar huis wilt. Maar waarom niet even tot de
pauze gewacht? Vergissing. De mannen groeperen zich op
een pleintje op een lange mat onder een boom, en
verzinken in hun avondgebed. Een wonderlijk tafereel,
die rust en contemplatie op gezichten die nog kort
ervoor rood aanliepen van een mislukte een-twee of een
overzeilende voorzet. Na 120 minuten ploeteren eindigt
de strijd in 1-1; Tunesie wint na strafschoppen.
Iedereen tevreden, want de Arabisch sprekende
moslimbroeders hebben gezegevierd."

Khartoum
--------
Op woensdag 18 februari, dag 355, bereik ik de
Sudanese hoofdstad, Khartoum, waar ik me begeef op een
lange mars langs traag draaiende ambtelijke
instellingen. Aanmelding als buitenlander bij het
Aliens Registration Office: 2 bezoeken, totaal 1
dagdeel in de rij. Verlenging van mijn visum: 3
bezoeken, 3 dagdelen. Daarna naar het Egyptische
consulaat,
ook voor een visum: 5 bezoeken, 3 dagdelen.
Tussendoor een foto-vergunning, travel permit en
toestemming om de pyramiden te bezichtigen: 2
bezoeken, 1 dagdeel. Alles gegarneerd met visites aan
de copyshop en de pasfotoman. Sudan is een heerlijk
land om in te reizen, bedenk ik in de rij voor de
zoveelste balie, maar die burocratie is slopend.

Maar ach, wat zeur ik nou? Op een avond lees ik in het
nieuwsarchief van bbcnews.com dat er sinds kort weer
problemen zijn in
Darfur, West-Sudan. Honderden doden,
vluchtelingenstromen richting Chad, voedseldroppings,
door de regering gesteunde milities die schieten op
burgers. Niets van gemerkt. De kranten (voor zover
verkrijgbaar) kan ik niet lezen, tv's zijn schaars, de
winkels liggen vol, en niemand in dit deel van het
land praat over het conflict in het westen. Ook dat is
Sudan.

Ma'is salaama,

Peter van de Beek

PS1: John Reader, "Africa, A Biography of the
Continent", Penguin Books 1998, ISBN 0-140-26675-5.

PS2: vorige afleveringen zijn nog steeds terug te
lezen via www.avaghon.nl

 

 

Reisverslag nr 9
Aswan (Zuid-Egypte)

7 april 2004, totaal 15.837 km
---------------------------------------------------

Vrienden!
Vanuit een warm, onbewolkt Aswan (35 graden) stuur ik
hierbij het negende verslag van mijn fietsreis door
Afrika. Hoewel, is dit nog Afrika? Geografisch behoren
Noord-Sudan en Zuid-Egypte tot het donkere continent.
Maar misschien is het beter om te spreken van het
zwart-witte land, the Country of Contrast.

Wat vooraf ging
---------------
In mijn vorige verslag was ik aangekomen in de
Sudanese hoofdstad Khartoum, de plek waar de Blauwe en
de Witte Nijl samenvloeien en even indrukwekkende
bureaucratische papierstromen elkaar kruisen. In dit
verhaal: de etappe van Khartoum naar Aswan via de Nijl
en de noordelijke woestijn.

Meroë
-----
Op maandag 1 maart, een jaar na mijn vertrek uit
Johannesburg, vind ik mezelf terug in de bus van
Khartoum naar Atbara voor een dagtrip naar Meroë. Met
ongekende snelheden (130 km/u) begeven we ons naar het
noordoosten, over misschien wel de beste weg van
Sudan. Geen gaten, geen verzakkingen, weinig ribbels,
een strak zwart lint door een roestbruine woestijn.
Een eersteklas weg - ook wel bekend als de Osama Road.

Zoals we nu weten, verhuisde Osama bin Laden in 1992
naar Sudan, waar hij met zijn vrouwen en kinderen een
dubbelleven leidde, een bestaan van constructie en
destructie. Overdag was hij aannemer, verantwoordelijk
voor prestigieuze bouwprojecten als de snelweg naar
Atbara en de luchthaven van Port Sudan. 's Avonds en
in het weekend bouwde hij aan zijn organisatie Al
Quaeda, broedend op aanslagen tegen Amerikaanse
militairen in Somalië en de VS-ambassades in Kenia en
Tanzania. In 1996 kreeg de Sudanese regering genoeg
van Bin Laden, waarop hij en zijn entourage
terugkeerden naar Afghanistan. Exit Osama, althans
officieel. In de geesten van veel gewone Sudanezen is
Osama nog steeds prominent aanwezig, die lange, magere
man met de charismatische blik, de rechterhand vol
aalmoezen, in de linkerhand een staf, de mond
overstromend van donderspraak, every inch het Zwaard
van de Islam. In een populariteitspoll zou Osama vast
en zeker hoog scoren. Maar helaas kent Sudan geen
opiniepeilingen.

Na twee uur rijden trapt de chauffeur op de rem en zet
me af in een woestijn die trilt van de hitte. "Meroë.
Al ahraam!", wijst hij, "de piramiden!". Ah, denk ik,
dit is weer een sterk staaltje van toerisme op z'n
Sudanees: geen bord, geen cola-stalletje, geen weg, en
voor zover ik 't in dit schelle licht kan zien ook
geen piramiden. Op goed geluk volg ik wat bandensporen
door het zand, op weg naar de belangrijkste
toeristenattractie van Sudan, naar verluidt zo'n 2 km
sjokken naar het oosten. En jawel, in de verte
ontvouwt zich na enige tijd een dramatisch landschap
van donkerbruine ruïnes, resten van het
Kush-koninkrijk (4de eeuw voor Christus tot AD
325). Zo'n 35 stompe, steil oplopende piramiden staan
slordig gegroepeerd op een heuvelrug van zandsteen,
als het ondergebit van een prehistorisch dier. (Zie
ook
http://www.hp.uab.edu/image_archive/um/pyramid01.jpg).
Rond de piramiden liggen duinen van opgewaaid goudgeel
zand, in zachte, romige vormen, vergelijkbare
beeldhouwwerken als na een sneeuwbui in de Alpen. Dit
is mooier en indrukwekkender dan de piramiden van
Gizeh in Egypte, bedenk ik. Ik zie geen sporen in het
zand anders dan mijn eigen afdrukken. Hoe zou het ook
kunnen - ik ben de enige mens in de wijde omtrek.

Khartoum - Abu Dom - Nijl
-------------------------
Twee dagen later verlaat ik groot en vol Khartoum (7
miljoen inwoners), een conglomeraat van steden,
townships, markten en zandvlakten vol zwerfvuil. Na
een handvol keren de route te hebben gevraagd
(wegwijzers zijn onbekend), bevind ik me ten slotte op
een splitsing. Vanaf hier is het eenvoudig: rechtsaf
gaat terug naar chaotisch Khartoum, en de andere weg
is de asfaltweg naar het noorden via de Bayuda Desert.
Ik sla linksaf, krom mijn rug, en vind al snel het
ritme voor de komende 400 kilometer: zoek een punt aan
de horizon, bijvoorbeeld een boom of een minaret, en
fiets daarnaar toe, duwend tegen de straffe wind die
aanhoudend uit het noorden blaast. Af en toe passeer
ik een dorp of een paar hutten, soms komt er een truck
of een bus voorbij, maar voor het overige ben ik
alleen met mijn gedachten. Gedachten die dagenlang het
volgende lijstje afwerken:
* Heb ik genoeg eten?
* Waar kan ik schuilen tegen de zon/hitte/wind?
* Hoe ver is de volgende plek met water? en
* Is dit leuk?

Uit mijn reisdagboek: "Vrijdag 5/3. Leeg, leeg.
Zandhopen, zandvlakten, zandheuvels, aan de horizon
wat bruine bergen. Nog steeds harde tegenwind. Tussen
13.00 en 16.00 uur uitgerust in een vervallen
theehuis, wachtend tot de grootste hitte (42 graden)
voorbij is. Rond 17.30 uur bij het volgende theehuis.
Ik sla water, brood en koekjes in, en rijd nog een
paar kilometer door voor een slaapplek onder een
doornboom, ergens in de desert. Net als ik wil gaan
slapen, zwelt de wind aan. Harde klappen die de tent
doen schudden, continu gefluister van zand dat tegen
het doek straalt. Zaterdag 6/3. Wakker geworden als
mummie. Overal zand: hoopjes rond m'n voeten, bergjes
rond m'n hoofd. Met moeite opgepakt, alles waait weg.
Ik laat me terugblazen naar het theehuis door een
geelgrijs gordijn van stof en zand. Tamelijk koud, de
zon is niet in staat door het gordijn te prikken.
Kleuren en diepte zijn verdwenen. Van 200 meter
afstand kun je wel zien dat daar een vrachtwagen
rijdt, maar niet of 'ie blauw is, rood of geel.
Vrijwel niemand op de weg, misschien 1 auto per half
uur, en 1 maal per uur een ezelkar met een oliedrum
met water. Dorst gaat door, ook in een zandstorm." Na
36 uur gaat de haboob liggen en kan ik verder door de
leegte.

Eén van de oudste gezegden in Sudan luidt: "Moest
Allah lachen of huilen toen hij Sudan schiep?
Waarschijnlijk allebei." Het staat wel vast dat de
Enige & Hoogste in een goede bui was toen hij de Nijl
boetseerde. Vanaf Abu Dom, waar het asfalt overgaat in
gravel en zand, rijd ik door een groene band van
palmen en plantages bespikkeld met witgepleisterde
huizen van leem - de oevers van de Nijl. De grens
tussen het oker van de woestijn en het smaragd van de
velden lijkt wel met een mes getrokken: geen
tussentonen, geen gradaties. Direct naast de laatste
scheuten van een veld graan of bonen begint de sahra
(woestijn). De zon brandt, de weg is slecht (zand en
ribbels), reden waarom de boeren in hun wapperende
witte galabiyya's voortdurend naar mijn welzijn
vragen. "Wil je thee? Heb je honger? Kom naar mijn
huis en rust wat uit!"

En zo zit ik op een middag in de tuin van meneer
Muhuideen (= "een man die het geloof doet leven"), een
kleine donkere man van 55 die vier voortanden mist,
vader is van vijf zoons en een dochter bij twee
vrouwen, leraar Arabisch aan een middelbare school en
parttime dadelkweker.

Zijn huis is van gladgestreken,
ongebakken rivierklei, een laag, monumentaal gebouw
met muren van een halve meter dikte, vierkante ramen
zonder glas en een dak van palmvezels. Grote koele
kamers (gescheiden in een mannen- en een
vrouwenvleugel), een binnenhof, een waterpomp en rond
het huis een plantage met zo'n 40 dadelpalmen die
ruisen in de wind. "Zien de huizen in Holland er ook
zo uit?", vraagt meneer Muhuideen. Ik schiet in de
lach. "Nee, nee. In ons klimaat spoelt uw huis weg
binnen de tijd van een jaar. Veel te veel neerslag,
soms wel de hele week." "Ja, dat is een groot
verschil. Sinds maart vorig jaar heeft het hier twee
of drie keer geregend." "En daar komt bij dat ruimte
in Holland veel schaarser is dan in Sudan. Voor een
groot huis als dit betaal je een half miljoen dollar,
plus een half miljoen voor de grond." Meneer Muhuideen
heeft moeite me te geloven. In een goed jaar verdient
hij 1000 dollar met zijn dadels, een welkome
aanvulling van zijn docentensalaris (60 dollar per
maand). "Is dit een goed jaar, meneer Muhuideen?" "De
dadels zijn pas rijp over een maand of zes, maar
alles wijst erop dat de oogst rijk zal zijn." "Tamam!
Goed! Ik hoop het voor u." "Insh'allah." "Natuurlijk."
De avond valt, we delen een schaal fuul (bruine bonen
met salade en brood), meneer Muhuideen verdwijnt naar
de moskee voor z'n avondgebed, en zelf strek ik me uit
op een touwbed tussen de palmen. Volle maan. Er staan
meer sterren aan de hemel dan het tussenliggende
zwart. Welkom in het paradijs.

Dongola - Abri - Wadi Halfa
---------------------------
Sudan was het eerste Afrikaanse land dat onafhankelijk
werd na de Tweede Wereldoorlog. Voor 1956 was het een
Britse kolonie, bestaande uit twee
verschillende bevolkingsgroepen die gedwongen werden
één huis te delen: de Arabische moslims van het
noorden, en de zwarte christenen en animisten van het
zuiden. Haat was het enige dat de twee groepen
verbond, na een eeuwenlange cyclus van noordelijke
invasies van het zuiden, waarbij de zwarten als slaven
werden gebruikt en hun land werd leeggeroofd. Hoe
konden deze twee vijandige werelden, kinderen van
slaven en van slavenhandelaren, samenleven in één
natie? Dat konden ze niet. Vrijwel direct na de
onafhankelijkheid brak een burgeroorlog uit tussen
noord en zuid die inmiddels miljoenen levens heeft
gekost en (met een onderbreking van 11 jaar) tot op de
dag van vandaag voortduurt.

Merk je als reiziger door het noorden iets van dat
conflict? Nauwelijks. Niemand praat erover, en de
islamitisch-fundamentalistische staats-tv zendt
uitsluitend beelden uit van de "vernedering" van Irak
en het "onrecht" dat Israel de Palestijnen aandoet. De
moslims in Noord-Sudan zijn de aardigste, meest
gastvrije mensen die ik ooit heb ontmoet. Zelden gaat
er een dag voorbij zonder dat mensen me wat lekkers
toestoppen of erop staan mijn thee te
betalen.

Maar begin niet over de burgeroorlog, want het
antwoord doet je tanden knarsen. De
meeste zwarten zijn "dom en lui", de mannen "stelen",
de vrouwen zijn "hoeren", en het zuidelijke streven
naar zelfbestuur is een "complot van de Amerikanen",
hoogstpersoonlijk geleid door George W. Bush. "Bush
Shaytaan!", Bush is Satan. "Een moordenaar die dood en
verderf zaait in de Arabische wereld en erop uit is de
islam te vernietigen." "Misschien heb je gelijk. Maar
verklaar dan eens dat Colin Powell de
vredesbesprekingen in Naivasha bijwoont." "Dat", zegt
mijn gesprekspartner, "is een deel van het complot.
Bush is zo doortrapt! Maar wij moslims doorzien hem."
"Op de BBC-radio hoor ik berichten over
bombardementen, brandschatting en verkrachting. Het
noorden, zegt men, exploiteert het zuiden, met name om
de olievelden. Klopt dat?" "Nee", zegt mijn
gesprekspartner, die een blauwe eeltplek op z'n
voorhoofd heeft van het vele bidden. "Sudan is een
diep-religieus land dat leeft volgens het islamitische
shari'ah-recht. De Koran leert zachtmoedigheid en
naastenliefde, dus die verhalen uit Londen berusten op
leugens. Maar het zuiden moet begrijpen dat Sudan een
ondeelbare natie is." Ik kijk om me heen, zie een paar
zwarte vluchtelingen uit het zuiden het werk doen waar
de Arabieren geen zin in hebben (beton vlechten, de
straat vegen), en denk: dit conflict gaat nog eens
vijftig jaar duren.

Na een pauze in Dongola, een stad waar ik heb
uitgerust van de eerste dagen over slechte wegen,
vervolg ik op 17 maart de reis langs de Nijl. Soms
voert de weg direct langs de rivier, maar even zo vaak
leiden lange slingers me 10 tot 30 km het binnenland
in, door een prachtig woestijnlandschap van
tafelbergen, kale rotsen in alle tinten bruin,
goudgeel zand en grijs grind. Geen huizen, geen
hoogspanningsmasten, spaarzaam verkeer (1 tot 10
auto's per dag). Navigerend op de zon en m'n kompas
kies ik het spoor in de meest waarschijnlijke
richting, hopend dat ik genoeg verkeer tegenkom om te
checken of ik inderdaad de juiste koers volg. "An
iznak, shaaria ila Abri, aiwa?" "Is dit de weg naar
Abri?"

Het fietsen gaat moeizaam - maar 'fietsen' is
misschien niet het passende woord. 'Stuiteren' dekt de
lading beter, of moet ik zeggen 'zeulen'? Ruim 500 km
lang volg ik een weg die meer lijkt op een horizontale
trap, met harde, overdwarse ribbels als treden. En als
de weg niet hard is, is hij zacht. Boterzacht, zo
zacht als het strand bij Scheveningen. Talloze malen
loop ik met een fiets aan de hand die diep wegzakt in
het zand onder het gewicht van de bagage en de 5-12
liter water die ik meevoer. "Is dit leuk?", pieker
ik als mijn armen verkrampen. "Wat doe ik hier?" en
"Waar ben ik mee bezig?". "Met iets wat je heel graag
wilt, waar je je hele leven naar hebt verlangd",
antwoord ik mezelf. "Stop even, rust uit, en kijk om
je heen. Die duinen, de prachtige abstracte patronen
in het zand, de groene band met palmen langs de Nijl,
een paar kilometer naar links, de mintgroene
minaretten aan de horizon. Hoor de stilte. Geniet van
je kracht. Neem een paar slokken water. Eet een hand
koekjes. Klaar? Mooi zo, want van stilstaan kom je
niet verder. En besides: het alternatief is een
kantoortuin in regenachtig Nederland."

Wadi Halfa
----------
OP zaterdag 27 maart bereik ik Wadi Halfa, de plek
vanwaar 1 x per week een veerboot naar Aswan in
Zuid-Egypte vaart. Ik koop een ticket en regel de
douaneformaliteiten. Als enige westerling loop ik door
een woestijnstadje dat zes dagen per week in coma
verkeert, slechts opgeschrikt door het gebalk van een
ezel, de oproep tot gebed en de ferry op woensdag.
Vergelijk dat met Aswan, het epicentrum van
Nijl-toerisme aan de andere kant van Lake Nasser. Een
zee van winkels, een orgie van licht en geluid, en
overal ongesluierd, wit toeristenvlees. In 7 minuten
in Aswan zie ik meer westerlingen dan in 7 weken in
Sudan. Wat een contrast.

Ma'is salaama,

Peter van de Beek

PS1: bronnen van dit verslag zijn "Dark Star Safari"
van Paul Theroux (2003), R. Kapuscinski's "The Shadow
of the Sun" (Penguin Books, 2002), en
http://www.hp.uab.edu/image_archive/um/uml.html

 

 

Reisverslag nr 10
Cairo (Egypte)

11 mei 2004, totaal 16.821 km
---------------------------------------------------

Vrienden!

Vanuit een stoffig, heet Cairo (40 graden) stuur ik
hierbij het tiende en laatste verslag van mijn
fietsreis door Afrika. Het wordt een korte aflevering,
met dank aan het weer en een wraakzuchtige farao.

Wat vooraf ging
---------------
Aan het eind van mijn vorige verslag was ik zojuist
aangekomen in Aswan in Zuid-Egypte. Het contrast met
Noord-Sudan is groot.

Aswan - Luxor
-------------
Na een gemoedelijke boottocht vanuit Sudan, twintig
uur van thee drinken met chocoladebruine Sudanezen en
olijfoliekleurige Egyptenaren, beland ik op donderdag
1 april in Aswan in Egypte. Hier is toeristisch gezien
de beer los. Het is Paasvakantie in Europa, met als
gevolg dat er duizenden en nog eens duizenden blanke
toeristen door de straten stromen, te voet of in
koetsen. Ik ben helemaal niet meer gewend aan
toeristen, merk ik. Sinds de wildparken van Tanzania,
vorig jaar september, heb ik nauwelijks toeristen
ontmoet, alleen reizigers, en ook die in
homeopathische doses.

Het volgende is niet snoevend bedoeld, begrijp me
goed.
Maar er is een verschil tussen een toerist en een
reiziger. Een toerist vindt het prettig om op
tempeltocht te gaan onder leiding van een gids die
zijn of haar taal spreekt. Een toerist ziet graag
westers eten op de menukaart. Een reiziger daarentegen
organiseert het liefst alles zelf, slaapt in hotels
voor lokale gasten, en eet wat de pot schaft. Vandaag
geen vlees en/of geen kamer met privébad en koele
lakens? Jammer dan, het zij zo. Een toerist wil zo
veel mogelijk hetzelfde comfort als thuis, alleen wat
goedkoper. Egyptische handelaren weten al sinds de
19de eeuw dat "wat goedkoper vertaald kan worden als
"drie tot tien keer de prijs voor autochtonen. En zo
worden hier dag aan dag fantasieprijzen verlangd die
veel geduld en humor vragen. Geduld om de prijs naar
beneden te praten, en humor voor het bijbehorende
theater. Het lastige is dat veel toeristen de eerste
vraagprijs betalen, of slechts de helft ervan. Nou ja,
aan de andere kant is het natuurlijk prettig om weer
s te kunnen genieten van koud bier met een Italiaanse
pizza. Toeristen, hartelijk dank!

Het is heel interessant om onder het genot van een
sheesha (waterpijp) en Turkse koffie de
voorbijslenterende Europeanen te aanschouwen. Het
bereidt je mentaal voor op de terugkeer naar het
Avondland, de onvermijdelijke dag dat je weer in je
eigen stad bent, je eigen straat. Fransen in modieuze
merkkleding. Britten met tatoeages. Nederlandse meiden
met naveltruitjes en piercings. Zwijgende tieners met
walkmans. Bleke vrouwen in shorts, mannen met
zonnebrillen en petjes ja, nu je het zegt, dat zijn
mensen die dichtbij mij staan. Mensen van mijn
cultuur.

Na enkele bloedige aanslagen door moslimextremisten in
de jaren negentig, heeft de Egyptische regering grote
aantallen politieagenten over het land uitgestrooid,
die de taak hebben toeristen te bewaken en hen de
illusie van totale veiligheid te geven. Voor een
fietser is dat beleid een bezoeking. In de Nijlvallei
tussen Aswan en Luxor geldt bijvoorbeeld een
konvooiplicht. Dat betekent dat ik de keus heb tussen
meerijden in een autokonvooi (gemiddelde snelheid 100
km/u), m,n fiets op een bus laden, of trachten de
talloze checkpoints te omzeilen. Ik kies voor de derde
oplossing. Dat gaat lang goed, tot in Luxor. Het
meeste verkeer verplaatst zich via de drukke hoofdweg
op de oostelijke oever van de Nijl, maar de westoever
is rustig, en vrijwel zonder politieposten. Ik fiets
langs heldergroene velden met bonen, graan en
dadelpalmen, langs treinwagons met pasgeoogst
suikerriet, en ezelkarren vol geurende uien.

Luxor Cairo
-------------
Vanaf Luxor slaat Big Brother Mubarak zonder mededogen
toe. Dat wil zeggen dat ik doorlopend word begeleid
door geüniformeerde agenten met kalashnikovs, of op
korte afstand gevolgd door opvallend onopvallende
informanten in burgerkleding die m,n gangen nagaan. In
de lobby en de lift van het hotel, tijdens het
ontbijt, op straat, wanneer ik de krant lees in een
café of een museum bezoek 24 uur per dag zijn er
snorren in de buurt die exact willen weten wat ik doe.
"Waarom ga je hier rechtsaf? "Ik heb zin in een
broodje falafel. "Waarom? "Omdat ik honger heb.
"Waarom eet je niet in het hotel? "Omdat dat geen
restaurant heeft. And if you don,t mind, just bugger
off, meathead, you,re waisting my time. "No speak
English. Het meest vervelende is dat ik ook tijdens
het fietsen word gevolgd, door een of twee blauwe
politieauto,s volgeladen met agenten. Met zwaailicht
en toeter maken ze elk contact met gewone Egyptenaren
onmogelijk, dwingen ze honden, kippen, zwangere
vrouwen en bakfietsen de berm in, en verjagen ze in
één moeite door m,n reisplezier.

En dat alles in naam
van mijn "protection. Ik houd er het gevoel aan over
dat Egypte buiten vrolijke toeristenbubbels als Luxor
en Aswan een grauwe politiestaat is. Minder efficiënt
georganiseerd als de toenmalige DDR, maar even diep
ingrijpend in het leven van zijn burgers.

Cairo (I)
---------
Op maandag 26 april nader ik de omgeving van Cairo.
Als ik rond 12.30 uur in de schaduw van een moskee een
broodje zit te eten in Karanis, 60-70 km ten zuiden
van Giza, steekt er plotseling een sterke wind op.
Alles vliegt door de lucht zwerfvuil, woestijnzand,
gebedsmutsjes - en wel precies in de richting van
Cairo. Een haboob! Met mijn lunch nauwelijks achter de
kiezen spring ik op de fiets, hopend en biddend dat de
wind niet gaat liggen, of (erger nog) draaien. Voor
één keer wordt mijn gebed verhoord. Met ongekende
snelheden (40, 50, soms 55 km/uur) raas ik over een
rechte snelweg door de woestijn naar het noorden,
voortgejaagd door een zandstorm die m,n benen striemt
als ik even stilsta, en me de rest van de tijd het
gevoel geeft dat ik de Sterkste Renner Aller Tijden
ben. Dat is natuurlijk niet zo, een kinderlijke
fantasie. Maar ja, zelfs in het hoofd van een renner
die al een tijdje voorbij z,n Theoretische Topleeftijd
is (voor wielrenners: 27 jaar) komt die gedachte
vanzelf naar boven als je vrachtwagens en auto's
passeert.

Om 14:21 uur bereik ik de piramiden in Giza.
Ik parkeer m,n fiets tegen het hek, tracteer mezelf op
een cola, en tracht m,n gevoelens te peilen. Ben ik
blij? Ja - maar gewoon blij, niet extatisch.
Opgelucht? Nee, waarom? Ik heb geen angst gekend sinds
ik mijn tocht begon. Ontroerd? Nee. Tevreden? Ja -
zoals een fotograaf tevreden is over een geslaagd
portret, of een wiskundige over de oplossing van een
moeilijk probleem. Ik sta aan de voet van de piramiden
zoals een bergbeklimmer op de top van de Everest. Je
kijkt een kwartier in de rondte, maakt wat foto,s, en
vervolgens pak je weer op omdat het zo verdraaid
slecht weer is. Het doel van mijn reis was niet het
bereiken van dit doel, maar de reis ernaar toe.

Cairo (II)
----------
Inmiddels zit ik al twee weken in Cairo, waar ik
logeer bij John, een Amerikaan die Engels geeft aan
Sudanese pubers, vluchtelingen van de burgeroorlog.
John is okee, al was het maar omdat hij al anderhalf
jaar dagelijks door verontwaardigde Arabieren wordt
aangesproken op de Amerikaanse invasie van Irak
zeker als daar, zoals afgelopen week bleek,
martelingen plaatsvinden. Niet gemakkelijk, maar John
staat iedereen begripvol en geduldig te woord. John is
ook okee omdat hij me gratis onderdak geeft zolang ik
nog niet hersteld ben van een buikinfectie die ik
ergens in Midden-Egypte heb opgelopen. "Your immune
system is alright. But our bugs are very strong!,
aldus een lachende Egyptische specialist in een
Caireens ziekenhuis. "Especially for foreigners. We
call it The Pharao,s Revenge! Hahaha!

Cairo (III)
-----------
Het is bijna half mei, tijd om uit Cairo te
vertrekken. Overdag klimt het kwik moeiteloos tot 40
graden, en hangt er een verstikkende smogdeken boven
de stad. s Nachts koelt het af, maar pas na 2.00 uur.
Over 3-4 dagen hoop ik voldoende te zijn aangesterkt
om richting de Sinaï-woestijn te rijden.
Waarschijnlijk in het gezelschap van Stefan, een
Zwitserse collega-langeafstandsfietser die ik bij
toeval tegenkwam in een winkel.
Voorbij Suez laten we Afrika definitief achter ons. Ik
weet nu al wat ik aan de overkant van het kanaal
tegenkom: een gevoel van spijt, van weemoed. Mama
Africa is goed voor me geweest, heel goed, en ik
hopelijk voor haar.

Nawoord
-------
Dit is mijn laatste lange reisverslag. De komende
maanden fiets ik nog wat uit via de Sinaï, Jordanië,
Syrië en Turkije. Ik zal af en toe een korte update
van die reis naar Nederland sturen, maar geen
verslagen meer van 2500 woorden. Afrika is mijn
grote liefde, en ik vrees dat ik simpelweg niet
voldoende liefde kan opbrengen voor het Midden-Oosten,
vandaar. Mag ik besluiten met een stichtelijk woord?
Ik hoop dat ik jullie, lezers van dit verhaal, het
afgelopen jaar heb geamuseerd en geïnformeerd. Zoals
ene George H.T. Kimble in 1951 schreef: "The darkest
thing about Africa has always been our ignorance of
it. Ik hoop dat ik met mijn tien verslagen niet
alleen de donkere kant van het oercontinent heb laten
zien, maar ook de lichte.

Hartelijk dank voor het lezen van mijn verhalen. Tot
ziens in Nederland, ergens in het najaar!

Peter van de Beek

PS: Wil je geen updates ontvangen, stuur me dan een
mailtje dat je graag van de verzendlijst wordt
afgevoerd. Houd het svp kort (knip dit verhaal dus
uit je reply!), anders crasht mijn mailbox.